← België

Arrest 252536 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.536 Rolnummer: A. 232186/VII-40949 Zaak: Arrest 252536 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-30 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-12 17:18 Fiche Arrest nr 252.536 van 23 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.536 van 23 december 2021 in de zaak A. 232.186/VII-40.949 In zake : de BV SPEELSTAD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE LILLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Geens kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 6 november 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0093 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 1 oktober 2020 in de zaak 1920-RvVb-0069-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 23 december 2020. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.949-1/6 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 14 juli 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 december 2021. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evy Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joris Geens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3. Op 8 augustus 2019 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lille (hierna: gemeente) akte van de melding van de bv Speelstad (hierna: Speelstad) “voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit (iioa) klasse 3, zijnde kinderpretpark”. VII-40.949-2/6 4. Het bestreden arrest verwerpt de twee middelen en bijgevolg het beroep van Speelstad tegen de bijzondere milieuvoorwaarden waarvan de akteneming afhankelijk wordt gesteld. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van Speelstad 5. Speelstad voert de schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, “het beschikkingsbeginsel (‘ne eat iudex ultra petita partium’)”, de artikelen 111 en 114 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: OVD) en “het wettelijk begrip ‘bijzondere milieuvoorwaarden’”. Zij argumenteert: “[…] In de beide middelen in de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd door verzoekende partij opgeworpen dat de aktenemende overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een louter meldingsplichtige handeling, slechts bevoegd is op grond van de artikelen 111 en 113 OVD om na te gaan of de handelingen (louter) meldingsplichtig zijn, hetzij niet verboden zijn bij of krachtens art. 5.4.3, §3 DABM (milieuvoorwaarden die aangewezen zijn om bepaalde IIOA’s te beperken of te verbieden in of nabij sommige gebieden of hindergevoelige objecten) en krachtens art. 4.2.2, §1 VCRO (minimale beoordelingsruimte vanwege eenvoudig en gangbaar karakter van handelingen, of onderworpenheid aan stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden in de zin van art. 4.3.1, §2, tweede lid VCRO), alsmede om in voorkomend geval bijzondere milieuvoorwaarden te verbinden aan de aktename. […] Het bestreden arrest stelt vooreerst vast dat de aktename door de bevoegde overheid bevestigt dat het aangevraagde (louter) meldingsplichtig is en niet verboden. Het bestreden arrest overweegt verder ter weerlegging van voormelde aanklacht inzake miskenning van de beperkte bevoegdheid inzake aktename dat de opgelegde milieuvoorwaarden niet onevenredig zijn met de exploitatie na uitbreiding. […] Eiseres in cassatie had voor de RvVb eveneens ingeroepen dat de beoordeling inzake milieuhinder reeds voorwerp is geweest van een beoordeling inzake de stedenbouwkundige vergunning. VII-40.949-3/6 Het arrest overweegt hieromtrent dat dit geen afbreuk doet aan de bevoegdheid bij aktename om op grond van artikel 113 OVD, volgens een andere finaliteit (het voorkomen van hinder voor mens en milieu als gevolg van de (totaliteit van

  1. de)exploitatie), voorwaarden op te leggen. Door bij die overweging ervan uit te gaan dat die beoordeling niet noodzakelijk impliceert dat de verwerende partij een stedenbouwkundige toets heeft doorgevoerd van de melding voor lasershooting op haar verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening (zie overweging 4 van het arrest tot weerlegging van het tweede middel), en eraan toe te voegen dat eiseres in cassatie dit niet aantoont (ibidem), ofschoon de verwerende partij dat nochtans bij monde van haa[r] antwoordnota, zoals weergegeven in het arrest onder overweging 2 van het standpunt van partijen, heeft erkend (‘hierbij dient de overheid na te gaan of het aangevraagde bestaanbaar is met de (...), of deze in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening (...). Tevens dient onderzocht te worden of de betrokken inrichting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving (...). Het is dan ook duidelijk dat de opgelegde voorwaarden in deze optiek werden opgelegd’), en ofschoon eiseres in cassatie daarop gewezen had in de nota van wederantwoord, zoals weergegeven in overweging 3 van het standpunt van de partijen, miskent het arrest het beschikkingsbeginsel en de bewijskracht van voormelde akten (antwoordnota - stuk 6 en wederantwoordnota - stuk 7). Daardoor miskent het arrest tegelijk het wettelijk begrip ‘bijzondere milieuvoorwaarden’, alsmede de aan de artikelen 111 en 113 OVD ontleende zeer beperkte beoordelingsbevoegdheid inzake aktename, waarbij geen toets aan de goede ruimtelijke ordening ligt besloten in de bevoegdheid tot het opleggen van bijzondere milieuvoorwaarden (RvVb 10 september 2020, nr. A-2021-0033; RvVb 10 december 2019, nr. A-1920-0353)”. Beoordeling 6. Het middel dat de schending aanvoert van “het wettelijk begrip ‘bijzondere milieuvoorwaarden’” en het beschikkingsbeginsel, en nalaat aan te geven welke wet hiermee wordt overtreden, zoals vereist in artikel 14, § 2 van de RvS-wet, mist de nauwkeurigheid om ontvankelijk te kunnen zijn. Het middel in zoverre het de schending aanvoert van “het beschikkingsbeginsel (‘ne eat iudex ultra petita partium’)” en “het wettelijk begrip ‘bijzondere milieuvoorwaarden’”, is niet ontvankelijk. 7. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht VII-40.949-4/6 van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Daarentegen miskent de RvVb die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, de bewijskracht van die akte niet. 8. Het middel dat de schending van de bewijskracht aanvoert en nalaat aan te geven waar het bestreden arrest uitdrukkelijk verwijst naar een geschrift -te dezen de antwoordnota en de wederantwoordnota- en waar het aan dat geschrift een verklaring toeschrijft dat het niet bevat of waar het ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, mist de nauwkeurigheid om ontvankelijk te zijn. 9. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het (oud) Burgerlijk Wetboek, is niet ontvankelijk. 10. Het bestreden arrest overweegt dat artikel 4.3.1 VCRO niet noodzakelijk impliceert dat de gemeente door het opleggen van bijzondere voorwaarden overeenkomstig artikel 113 OVD, een stedenbouwkundige toets heeft doorgevoerd van de melding, dat Speelstad dat niet aantoont, dat uit de motieven van de aktemelding blijkt dat de gemeente “het vanuit een andere finaliteit, met name het voorkomen van hinder voor de mens en het milieu als gevolg van de (totaliteit van
  2. de)exploitatie zoals vooropgesteld in artikel 113 [OVD], nodig heeft geacht om aan de aktename bijzondere voorwaarden te koppelen” en dat niet blijkt dat de gemeente de perken van haar bevoegdheid op basis van artikel 111 en 113 OVD te buiten is gegaan, dan wel deze bevoegdheid heeft aangewend voor andere (dan rechtmatige) doeleinden. 11. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 111 en 113 OVD en daarbij uitgaat van de stelling van de aan deze bepalingen “ontleende zeer beperkte beoordelingsbevoegdheid inzake aktename, waarbij geen toets aan de goede ruimtelijke ordening ligt besloten in de bevoegdheid tot het opleggen van VII-40.949-5/6 bijzondere milieuvoorwaarden” en derhalve dat het bestreden arrest aanneemt dat in de bevoegdheid tot het opleggen van bijzondere milieuvoorwaarden overeenkomstig artikel 113 OVD wel een toets goede ruimtelijke ordening is besloten, mist feitelijke grondslag. 12. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.949-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.536 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.