id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.542 Rolnummer: A. 234180/IX-9916 Zaak: Arrest 252542 - Tucht (openbaar ambt) - 23/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-06 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-12 17:22 Fiche Arrest nr 252.542 van 23 december 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 252.542 van 23 december 2021 in de zaak A. 234.180/IX-9916 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Edward Carlier kantoor houdend te 1200 Brussel Brand Whitlocklaan 87/10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 19 juli 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse minister van Onderwijs van 20 mei 2021, waarbij XXXX de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-9916-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2021. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Ghysels, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Catherine Kerrebrouck, die loco advocaat Edward Carlier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is sinds 1 april 1990 als ambtenaar in dienst van de Vlaamse overheid. Met ingang van 1 februari 2017 wordt hij aangesteld als lid van het algemeen bestuur van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Met ingang van 1 november 2019 wordt hij daarenboven benoemd tot lid van het dagelijks bestuur van de NVAO. Om deze opdracht uit te oefenen geniet verzoeker een verlof voor opdracht van algemeen belang. 3.2. Op 11 juni 2020 deelt de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming van de verwerende partij aan verzoeker mee dat het comité van ministers van de NVAO op 10 juni 2020 een klacht heeft ontvangen “over IX-9916-2/13 feiten die u als bestuurslid van de NVAO ten laste gelegd worden” en die omschreven worden als “ernstig, normoverschrijdend gedrag”. Verzoeker wordt uitgenodigd om over de feiten te worden gehoord op 17 juni 2020. Hij wordt “in afwachting” en “bij wijze van voorlopige maatregel” tijdelijk ontheven van zijn taken bij de NVAO, met behoud van loon. Hem wordt gevraagd om geen contact te hebben met het personeel en de bestuurders van de NVAO en de toegang tot de gebouwen van de NVAO wordt hem ontzegd. Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 247.989 van 1 juli 2020 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wegens gebrek aan uiterst dringende noodzakelijkheid. Het beroep tot nietigverklaring is momenteel hangende. 3.3. Op 13 juli 2020 beëindigt de Vlaamse minister van Onderwijs het verlof voor opdracht van algemeen belang dat met ingang van 1 november 2019 aan verzoeker werd verleend om aangesteld te worden in de functie van lid van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van de NVAO. Verzoeker vordert van deze beslissing de nietigverklaring bij de Raad van State. Ook dat beroep is momenteel hangende. 3.4. Op 23 februari 2021 legt het comité van ministers van de NVAO aan verzoeker de tuchtsanctie van het ontslag op. Verzoeker stelt ook tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State en ook dit beroep is nog hangende. 3.5. Op 20 mei 2021 legt de Vlaamse minister van Onderwijs aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. Dat is de thans bestreden beslissing. IX-9916-3/13 IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting door verzoeker 5. Verzoeker ziet de verantwoording van de spoedeisendheid “in eerste instantie” gelegen in “[de] ernstige reputatieschade van de definitieve beslissing en de psychologische gevolgen die ermee verbonden zijn”. De beslissing heeft “in de tweede instantie ernstige gevolgen voor de financiële positie van [verzoeker] en zijn gezin nu hij zonder inkomsten komt te vallen hetgeen de voornaamste bron van inkomsten is van zijn gezin”. Beoordeling a. financieel nadeel 6. Hoewel aangevoerd “in tweede instantie”, onderzoekt de Raad eerst de financiële impact van de maatregel. Het volledig wegvallen van een gezinsinkomen vormt immers in de meeste gevallen het overtuigende argument om bij een ontslag de spoedeisendheid van de vordering aan te nemen. Dat is ook zoals verzoeker het de Raad wil doen geloven. Hij schrijft in zijn verzoekschrift als het ware de voornaamste kostwinner te zijn en de zorg te hebben voor vrouw en kind: IX-9916-4/13 “In tweede instantie leidt de definitieve beslissing tot aanzienlijke financiële gevolgen die een verregaande impact hebben op de levensstandaard van het gezin. [Verzoeker] heeft met zijn vrouw een dochter. Zijn vrouw ontvangt een minimumloon van 3400 EUR van de BVBA waarin zij werkt. Verder hebben zij geen andere inkomsten (stuk 2 – vertrouwelijke stukken). De wedde van [verzoeker] was de voornaamste inkomstenbron voor het gehele gezin en diende als basis voor hun levensstandaard en de maandelijkse kosten en investeringen waarvoor zij zich hebben geëngageerd. Het wegvallen van de voornaamste inkomstenbron tast het gezinsleven en de levenskwaliteit aan. Bovendien heeft de verzoekende partij op dit moment geen zekerheid dat hij een werkloosheidsvergoeding zal ontvangen, noch dat hij in staat zal zijn om een nieuwe tewerkstelling zal vinden, gelet op zijn relatieve hoge leeftijd en zeer specifieke expertise in het onderwijs.” 7. De verwerende partij werpt in haar nota met opmerkingen het volgende tegen: “2.13 […] Het inroepen van een financieel nadeel volstaat evenwel op zich niet om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit kan in beginsel immers geheel worden goedgemaakt door een vernietigingsarrest. Dit is uitzonderlijk anders als bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financieel nadeel een zodanige impact heeft op de situatie van verzoeker dat hij deze niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde[…]. Immers, een financieel nadeel is in principe berekenbaar en dus herstelbaar na een vernietigingsarrest. Het zal alleen ernstig én moeilijk te herstellen zijn wanneer de financiële impact van de bestreden beslissing dermate groot is dat de levensstandaard van de betrokkene drastisch erdoor zou worden verlaagd en zijn bestaanszekerheid in het gedrang zou komen[…]. […] 2.14 Welnu, in casu beperkt [verzoeker] zich tot algemene stellingen, die niet concreet worden becijferd noch aangetoond, hetgeen meer vragen dan antwoorden oplevert inzake de effectieve financiële situatie van [verzoeker]. Een louter meedelen van het aanslagbiljet in de personenbelasting inkomensjaar 2019/aanslagjaar 2020 (vertrouwelijk stuk 2 van [verzoeker]) wijzigt deze vaststelling niet. Zo gaat het onder meer enkel om de personenbelasting van het echtpaar […], terwijl blijkt dat beiden ook samen een vennootschap oprichtten (zie verder). Zo maakt [verzoeker], in algemene bewoordingen, melding van de levensstandaard van het gezin. Het algemeen welvaartspeil van [verzoeker], zijn vrouw en dochter wordt evenwel niet nader verantwoord, laat staan met stukken gestaafd. Ook omtrent de tewerkstelling van de vrouw van [verzoeker] worden, behoudens de loutere vermelding van het loon, geen nadere omstandigheden geduid. [Verzoeker] maakt melding van een dochter, evenwel zonder haar leeftijd, eventuele studies of IX-9916-5/13 beroepswerkzaamheden te vermelden. Ook aan verdere becijfering van de kosten van de opvoeding van deze – mogelijk volwassen – dochter ontbreekt enig spoor. Verder gaat [verzoeker] ook niet in op de vermelde kosten en investeringen waartoe het gezin zich zou hebben geëngageerd, laat staan dat hiervan enig stavingsstuk overlegd wordt. Evenmin toont [verzoeker] aan waarom de financiële gevolgen van de Beslissing onherroepelijk dreigen te worden indien hij zou moeten wachten op een behandeling van het beroep tot nietigverklaring. In werkelijkheid blijkt dat de dochter van [verzoeker] inmiddels 30 jaar oud is en haar eigen geschenkartikelen zaak opstartte, na een drietal jaar op het kabinet van Vlaams minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel, […] te hebben gewerkt (stukken 73, 74, 75 en 96). De vermelding in de vordering tot schorsing alsof de dochter van [verzoeker] nog ten laste zou zijn is dus misleidend. In werkelijkheid blijkt ook dat de echtgenote van [verzoeker] volgens haar LinkedIn profiel, European Patent Attorney Associate is bij De Clercq & Partners sinds januari 2016 (stuk 76). Daarnaast is zij ook lid van het beslissingscomité bij het Hermesfonds van het Agentschap Innoveren en Ondernemen sinds januari 2016 (stuk 77) en is ze Managing Director van de vennootschap The Next Big Idea, met ondernemingsnummer BE 0544.952.334 en gevestigd op het adres van de gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten (stuk 78). Dit betreft de vennootschap die in 2004 door beide echtgenoten samen werd opgericht en waarvan [verzoeker] tot op vandaag nog bestuurder is, zoals blijkt uit de meest recente publicatie van 25 februari 2020 omtrent de vennootschap in de bijlage van de rechtspersonen bij het Belgisch Staatsblad (stuk 79). Zelfs het aanslagbiljet in de personenbelasting voor aanslagjaar 2020 biedt geen steun aan verzoekers beweringen omtrent de gezinsinkomsten. Daaruit blijkt immers dat voor inkomstenjaar 2019 ten belope van 97.381,17 euro aan bezoldigingen van bedrijfsleiders werden aangegeven. Het gezamenlijk belastbaar inkomen in hoofde van mevrouw […] bedraagt 82.111,55 euro. In de mate dat de verwijzing naar een ‘minimumloon van 3400 euro’ begrepen moet worden als een maandelijkse vergoeding van ca. 3.400 euro netto, wat niet duidelijk uit het verzoekschrift kan worden opgemaakt, valt niet goed in te zien hoe dit gekwalificeerd kan worden als een ‘minimumloon’. Zelfs indien abstractie wordt gemaakt van elk alternatief of aanvullend inkomen van [verzoeker], bedraagt het gezinsinkomen louter op grond van deze bezoldigingen aanzienlijk meer dan het gemiddelde huishoudinkomen in het Vlaamse Gewest.[…] De zaken voorstellen alsof het hele gezin (de facto [verzoeker] en zijn echtgenote) zou moeten leven van het ‘minimum’ maandloon dat de vennootschap van beide echtgenoten mevrouw […] uitkeert, is dan ook erg misleidend en kan geen spoedeisendheid verantwoorden. 2.15 Daarnaast beweert [verzoeker] ook dat hij geen zekerheid heeft dat hij een werkloosheidsuitkering zal ontvangen. Er blijkt evenwel dat [verzoeker] in de eerste plaats zelf heeft nagelaten om de nodige stappen te IX-9916-6/13 ondernemen om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen of enig vervangingsinkomen. Hoofdstuk II van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen (B.S. 1 augustus 1991) voorziet in een aantal maatregelen om statutaire personeelsleden van overheidsdiensten, wiens arbeidsverhouding een einde neemt, gedurende een bepaalde periode een sociale verzekering te verstrekken die hen recht kan geven op de voordelen inzake de arbeidsvoorziening en werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) (en de moederschapsbescherming). Indien [verzoeker] daartoe de nodige stappen had ondernomen dan was de Vlaamse Gemeenschap gehouden geweest om de bijdragen voor de werkloosheids- en ziekteverzekering te regulariseren c.q. bij te storten opdat [verzoeker] beroep had kunnen doen op uitkeringen in het private stelsel. De stappen die [verzoeker] hiertoe had moeten ondernemen volgen uit artikel 9 van voormelde wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen en werden, conform artikel 11 van die wet, uitdrukkelijk opgenomen in het aangetekend schrijven van het Agentschap Overheidspersoneel van 25 mei 2021 (stuk 80). Volgens deze wet dienen personen in de situatie als die van [verzoeker] met name:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.