← België

Arrest 252542 - Tucht (openbaar ambt) - 23/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.542 Rolnummer: A. 234180/IX-9916 Zaak: Arrest 252542 - Tucht (openbaar ambt) - 23/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-06 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-12 17:22 Fiche Arrest nr 252.542 van 23 december 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 252.542 van 23 december 2021 in de zaak A. 234.180/IX-9916 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Edward Carlier kantoor houdend te 1200 Brussel Brand Whitlocklaan 87/10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 19 juli 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse minister van Onderwijs van 20 mei 2021, waarbij XXXX de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-9916-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2021. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Ghysels, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Catherine Kerrebrouck, die loco advocaat Edward Carlier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is sinds 1 april 1990 als ambtenaar in dienst van de Vlaamse overheid. Met ingang van 1 februari 2017 wordt hij aangesteld als lid van het algemeen bestuur van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Met ingang van 1 november 2019 wordt hij daarenboven benoemd tot lid van het dagelijks bestuur van de NVAO. Om deze opdracht uit te oefenen geniet verzoeker een verlof voor opdracht van algemeen belang. 3.2. Op 11 juni 2020 deelt de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming van de verwerende partij aan verzoeker mee dat het comité van ministers van de NVAO op 10 juni 2020 een klacht heeft ontvangen “over IX-9916-2/13 feiten die u als bestuurslid van de NVAO ten laste gelegd worden” en die omschreven worden als “ernstig, normoverschrijdend gedrag”. Verzoeker wordt uitgenodigd om over de feiten te worden gehoord op 17 juni 2020. Hij wordt “in afwachting” en “bij wijze van voorlopige maatregel” tijdelijk ontheven van zijn taken bij de NVAO, met behoud van loon. Hem wordt gevraagd om geen contact te hebben met het personeel en de bestuurders van de NVAO en de toegang tot de gebouwen van de NVAO wordt hem ontzegd. Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 247.989 van 1 juli 2020 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wegens gebrek aan uiterst dringende noodzakelijkheid. Het beroep tot nietigverklaring is momenteel hangende. 3.3. Op 13 juli 2020 beëindigt de Vlaamse minister van Onderwijs het verlof voor opdracht van algemeen belang dat met ingang van 1 november 2019 aan verzoeker werd verleend om aangesteld te worden in de functie van lid van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van de NVAO. Verzoeker vordert van deze beslissing de nietigverklaring bij de Raad van State. Ook dat beroep is momenteel hangende. 3.4. Op 23 februari 2021 legt het comité van ministers van de NVAO aan verzoeker de tuchtsanctie van het ontslag op. Verzoeker stelt ook tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State en ook dit beroep is nog hangende. 3.5. Op 20 mei 2021 legt de Vlaamse minister van Onderwijs aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. Dat is de thans bestreden beslissing. IX-9916-3/13 IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting door verzoeker 5. Verzoeker ziet de verantwoording van de spoedeisendheid “in eerste instantie” gelegen in “[de] ernstige reputatieschade van de definitieve beslissing en de psychologische gevolgen die ermee verbonden zijn”. De beslissing heeft “in de tweede instantie ernstige gevolgen voor de financiële positie van [verzoeker] en zijn gezin nu hij zonder inkomsten komt te vallen hetgeen de voornaamste bron van inkomsten is van zijn gezin”. Beoordeling a. financieel nadeel 6. Hoewel aangevoerd “in tweede instantie”, onderzoekt de Raad eerst de financiële impact van de maatregel. Het volledig wegvallen van een gezinsinkomen vormt immers in de meeste gevallen het overtuigende argument om bij een ontslag de spoedeisendheid van de vordering aan te nemen. Dat is ook zoals verzoeker het de Raad wil doen geloven. Hij schrijft in zijn verzoekschrift als het ware de voornaamste kostwinner te zijn en de zorg te hebben voor vrouw en kind: IX-9916-4/13 “In tweede instantie leidt de definitieve beslissing tot aanzienlijke financiële gevolgen die een verregaande impact hebben op de levensstandaard van het gezin. [Verzoeker] heeft met zijn vrouw een dochter. Zijn vrouw ontvangt een minimumloon van 3400 EUR van de BVBA waarin zij werkt. Verder hebben zij geen andere inkomsten (stuk 2 – vertrouwelijke stukken). De wedde van [verzoeker] was de voornaamste inkomstenbron voor het gehele gezin en diende als basis voor hun levensstandaard en de maandelijkse kosten en investeringen waarvoor zij zich hebben geëngageerd. Het wegvallen van de voornaamste inkomstenbron tast het gezinsleven en de levenskwaliteit aan. Bovendien heeft de verzoekende partij op dit moment geen zekerheid dat hij een werkloosheidsvergoeding zal ontvangen, noch dat hij in staat zal zijn om een nieuwe tewerkstelling zal vinden, gelet op zijn relatieve hoge leeftijd en zeer specifieke expertise in het onderwijs.” 7. De verwerende partij werpt in haar nota met opmerkingen het volgende tegen: “2.13 […] Het inroepen van een financieel nadeel volstaat evenwel op zich niet om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit kan in beginsel immers geheel worden goedgemaakt door een vernietigingsarrest. Dit is uitzonderlijk anders als bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financieel nadeel een zodanige impact heeft op de situatie van verzoeker dat hij deze niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde[…]. Immers, een financieel nadeel is in principe berekenbaar en dus herstelbaar na een vernietigingsarrest. Het zal alleen ernstig én moeilijk te herstellen zijn wanneer de financiële impact van de bestreden beslissing dermate groot is dat de levensstandaard van de betrokkene drastisch erdoor zou worden verlaagd en zijn bestaanszekerheid in het gedrang zou komen[…]. […] 2.14 Welnu, in casu beperkt [verzoeker] zich tot algemene stellingen, die niet concreet worden becijferd noch aangetoond, hetgeen meer vragen dan antwoorden oplevert inzake de effectieve financiële situatie van [verzoeker]. Een louter meedelen van het aanslagbiljet in de personenbelasting inkomensjaar 2019/aanslagjaar 2020 (vertrouwelijk stuk 2 van [verzoeker]) wijzigt deze vaststelling niet. Zo gaat het onder meer enkel om de personenbelasting van het echtpaar […], terwijl blijkt dat beiden ook samen een vennootschap oprichtten (zie verder). Zo maakt [verzoeker], in algemene bewoordingen, melding van de levensstandaard van het gezin. Het algemeen welvaartspeil van [verzoeker], zijn vrouw en dochter wordt evenwel niet nader verantwoord, laat staan met stukken gestaafd. Ook omtrent de tewerkstelling van de vrouw van [verzoeker] worden, behoudens de loutere vermelding van het loon, geen nadere omstandigheden geduid. [Verzoeker] maakt melding van een dochter, evenwel zonder haar leeftijd, eventuele studies of IX-9916-5/13 beroepswerkzaamheden te vermelden. Ook aan verdere becijfering van de kosten van de opvoeding van deze – mogelijk volwassen – dochter ontbreekt enig spoor. Verder gaat [verzoeker] ook niet in op de vermelde kosten en investeringen waartoe het gezin zich zou hebben geëngageerd, laat staan dat hiervan enig stavingsstuk overlegd wordt. Evenmin toont [verzoeker] aan waarom de financiële gevolgen van de Beslissing onherroepelijk dreigen te worden indien hij zou moeten wachten op een behandeling van het beroep tot nietigverklaring. In werkelijkheid blijkt dat de dochter van [verzoeker] inmiddels 30 jaar oud is en haar eigen geschenkartikelen zaak opstartte, na een drietal jaar op het kabinet van Vlaams minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel, […] te hebben gewerkt (stukken 73, 74, 75 en 96). De vermelding in de vordering tot schorsing alsof de dochter van [verzoeker] nog ten laste zou zijn is dus misleidend. In werkelijkheid blijkt ook dat de echtgenote van [verzoeker] volgens haar LinkedIn profiel, European Patent Attorney Associate is bij De Clercq & Partners sinds januari 2016 (stuk 76). Daarnaast is zij ook lid van het beslissingscomité bij het Hermesfonds van het Agentschap Innoveren en Ondernemen sinds januari 2016 (stuk 77) en is ze Managing Director van de vennootschap The Next Big Idea, met ondernemingsnummer BE 0544.952.334 en gevestigd op het adres van de gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten (stuk 78). Dit betreft de vennootschap die in 2004 door beide echtgenoten samen werd opgericht en waarvan [verzoeker] tot op vandaag nog bestuurder is, zoals blijkt uit de meest recente publicatie van 25 februari 2020 omtrent de vennootschap in de bijlage van de rechtspersonen bij het Belgisch Staatsblad (stuk 79). Zelfs het aanslagbiljet in de personenbelasting voor aanslagjaar 2020 biedt geen steun aan verzoekers beweringen omtrent de gezinsinkomsten. Daaruit blijkt immers dat voor inkomstenjaar 2019 ten belope van 97.381,17 euro aan bezoldigingen van bedrijfsleiders werden aangegeven. Het gezamenlijk belastbaar inkomen in hoofde van mevrouw […] bedraagt 82.111,55 euro. In de mate dat de verwijzing naar een ‘minimumloon van 3400 euro’ begrepen moet worden als een maandelijkse vergoeding van ca. 3.400 euro netto, wat niet duidelijk uit het verzoekschrift kan worden opgemaakt, valt niet goed in te zien hoe dit gekwalificeerd kan worden als een ‘minimumloon’. Zelfs indien abstractie wordt gemaakt van elk alternatief of aanvullend inkomen van [verzoeker], bedraagt het gezinsinkomen louter op grond van deze bezoldigingen aanzienlijk meer dan het gemiddelde huishoudinkomen in het Vlaamse Gewest.[…] De zaken voorstellen alsof het hele gezin (de facto [verzoeker] en zijn echtgenote) zou moeten leven van het ‘minimum’ maandloon dat de vennootschap van beide echtgenoten mevrouw […] uitkeert, is dan ook erg misleidend en kan geen spoedeisendheid verantwoorden. 2.15 Daarnaast beweert [verzoeker] ook dat hij geen zekerheid heeft dat hij een werkloosheidsuitkering zal ontvangen. Er blijkt evenwel dat [verzoeker] in de eerste plaats zelf heeft nagelaten om de nodige stappen te IX-9916-6/13 ondernemen om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen of enig vervangingsinkomen. Hoofdstuk II van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen (B.S. 1 augustus 1991) voorziet in een aantal maatregelen om statutaire personeelsleden van overheidsdiensten, wiens arbeidsverhouding een einde neemt, gedurende een bepaalde periode een sociale verzekering te verstrekken die hen recht kan geven op de voordelen inzake de arbeidsvoorziening en werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) (en de moederschapsbescherming). Indien [verzoeker] daartoe de nodige stappen had ondernomen dan was de Vlaamse Gemeenschap gehouden geweest om de bijdragen voor de werkloosheids- en ziekteverzekering te regulariseren c.q. bij te storten opdat [verzoeker] beroep had kunnen doen op uitkeringen in het private stelsel. De stappen die [verzoeker] hiertoe had moeten ondernemen volgen uit artikel 9 van voormelde wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen en werden, conform artikel 11 van die wet, uitdrukkelijk opgenomen in het aangetekend schrijven van het Agentschap Overheidspersoneel van 25 mei 2021 (stuk 80). Volgens deze wet dienen personen in de situatie als die van [verzoeker] met name:

  1. a)binnen dertig dagen na het beëindigen van hun arbeidsverhouding: • de hoedanigheid verkregen (
  2. te)hebben van werknemer onderworpen aan voornoemde wet, van mijnwerker of van zeeman ter koopvaardij; • of bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven (
  3. te)zijn,
  4. b)of het bewijs (
  5. te)leveren dat zij gedurende dezelfde termijn ongeschikt zijn tot het verrichten van arbeid in de zin van de reglementering inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, of in een periode van moederschapsverlof overeenkomstig titel IVbis van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Noch een tewerkstellingsattest, noch een bewijs van inschrijving als werkzoekende, noch een attest van het ziekenfonds voor bijstorting van de bijdragen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werden door [verzoeker] evenwel ingediend, niet binnen de voorgeschreven termijn van dertig dagen en niet erna. Dat [verzoeker] ‘geen zekerheid heeft dat hij een werkloosheidsuitkering zal ontvangen’ is dan ook enkel te wijten aan zijn eigen nalatigheid en kan derhalve niet in aanmerking worden genomen bij het beoordelen van de spoedeisendheid. 2.16 Tot slot beweert [verzoeker] dat het niet zeker zou zijn dat hij in staat zal zijn om een nieuwe tewerkstelling te vinden, gelet op zijn leeftijd (niet nader bepaald, maar volgens de Vlaamse gemeenschap 58 jaar oud) en zeer specifieke expertise in het onderwijs. Gelet op het ontslag wegens ernstig normoverschrijdend gedrag op seksueel gebied zou hij immers niet opnieuw worden aangenomen binnen de overheid. Op de private markt zou hij niet terecht kunnen omdat zijn expertise op de private markt beperkt zou zijn en gelet op zijn leeftijd. IX-9916-7/13 [Verzoeker] toont evenwel op geen enkele wijze aan dat hij reeds pogingen heeft ondernomen of inspanningen heeft geleverd om opnieuw aan de slag te gaan. Indien hij ter zake op dezelfde wijze handelt als met betrekking tot het vrijwaren van zijn rechten op een vervangingsinkomsten (hij liet na de daartoe nodige stappen te ondernemen), zou het beweerd gebrek aan uitzicht op een nieuwe tewerkstelling – eerder dan aan de Beslissing – aan zijn eigen houding te wijten zijn. Wat een tewerkstelling binnen de overheid betreft, wordt nogmaals aangestipt dat de Vlaamse gemeenschap enkel de strikt noodzakelijke communicatie heeft gevoerd omtrent de Beslissing en geen verdere ruchtbaarheid heeft gegeven aan de redenen die daaraan ten grondslag liggen. Wat een tewerkstelling op de private markt betreft, wordt opgemerkt dat deze geenszins beperkt hoeft te zijn tot de zeer specifieke expertise in het onderwijs die [verzoeker] zou hebben opgebouwd. Zijn leeftijd hoeft daar ook niet noodzakelijk een handicap te zijn. […] Bovendien, van de zeer specifieke expertise van [verzoeker] blijkt in werkelijkheid weinig aan te zijn. Op het publiek consulteerbare profiel van de bestuurders van de vennootschap The Next Big Idea, met name [verzoeker] en diens echtgenote, wordt de expertise van [verzoeker] als volgt omschreven (stuk 81): ‘Professionele duizendpoot met ervaring in cost management, implementaties van allerhande toepassingen gebaseerd op internettechnologie, hoger onderwijs en innovatie, management information systems, publiek-private samenwerking, risk management, employee benefits en de organisatie van de financiële en HR-functie, zowel in de privé als in de publieke sector.’ Dit blijkt ook uit de meest recente publicatie van 25 februari 2020 omtrent de vennootschap in de bijlage van de rechtspersonen bij het Belgisch Staatsblad (stuk 79). De vennootschap is actief onder niet minder dan zes commerciële benamingen (Idea-Web, Idea-IP, Geovino, Imagine-IT, Idea-PUB en NEUF). [Verzoeker] is in elk geval al actief in de vennootschap Geovino (stuk 81): Geovino staat voor one bottle a day: 365 eigenzinnige, uitstekende, betaalbare en permanent wisselende wijnen uit meer dan 30 wijnlanden (met voorkeur voor specifieke wijnregio’
  6. s)Geovino is ontstaan uit de 20-jarige vriendschapsband tussen enerzijds [verzoeker] en anderzijds [Z] (FR) Geovino levert grote diversiteit: van eenvoudige zomerwijntjes tot exclusieve flessen uit grote wijnjaren. 50% steeds minstens binnen de 3 werkdagen leverbaar (gemiddelde levertijd 3-7 werkdagen)/(…) Aan de bewering dat niet zeker zou zijn dat [verzoeker] in staat zou zijn om een nieuwe tewerkstelling te vinden, gelet op zijn leeftijd en zeer specifieke expertise kan dan ook maar weinig geloof worden gehecht. 2.17 Uit het bovenstaande blijkt dat verzoeker kennelijk niet aantoont dat hij ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een financieel nadeel ondergaat dat van die aard is de spoedeisendheid te rechtvaardigen. De uiteenzetting in het verzoekschrift is kennelijk te vaag, IX-9916-8/13 en wordt niet of onvoldoende door stukken gestaafd, in het bijzonder wat de huidige gezinssamenstelling en de gebruikelijke -kosten en -inkomsten betreft.” 8. Weinig kan en niets hoeft aan het antwoord van de verwerende partij nog toegevoegd. Het overtuigt. Verzoekers raadsman heeft op de terechtzitting overigens niet meer gepoogd het te weerspreken. b. moreel nadeel 9. Blijft dan het morele nadeel. Zoals de Raad van State al in tal van arresten heeft overwogen, wordt een moreel nadeel in beginsel hersteld door een eventueel vernietigingsarrest, behoudens wanneer bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen en aldus het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. 10. Anders dan verzoeker dat ziet, is het voorliggende ontslag niet “definitief” aangezien verzoeker de nietigverklaring van de bestreden beslissing vordert. Door een eventuele nietigverklaring van het bestreden ontslag zouden verzoeker en bestuur weer in de situatie vóór de bestreden beslissing worden geplaatst. Verzoeker voert niet aan dat na een eventueel vernietigingsarrest en een definitief ongedaan blijven van het ontslag een reconstructie van zijn loopbaan niet meer mogelijk zou zijn – minstens laat hij na om de gevolgen van een eventuele nietigverklaring bij zijn uiteenzetting over de spoedeisendheid te betrekken. Daarbij kan worden bedacht dat een nietigverklaring die leidt tot een geldelijke reconstructie van de loopbaan de betrokkene ook een additionele morele genoegdoening levert: de ambtenaar zou immers aanspraak maken op achterstallige wedde zonder effectief geleverde prestaties. IX-9916-9/13 11. Verzoeker wijst voorts op de reputatieschade die hij lijdt door de bestreden beslissing en die dreigt definitief en onherroepelijk te worden indien het resultaat van de vernietigingsprocedure moet worden afgewacht. Dergelijke loutere, in algemene termen gestelde verwijzing naar een mogelijke perceptie door derden – in casu verzoekers collega’s, vrienden, familie en netwerk binnen de onderwijssector – van de betekenis en draagwijdte van de bestreden beslissing toont op zich echter niet aan dat verzoeker het resultaat van de vernietigingsprocedure niet kan afwachten. Zoals hiervóór is opgemerkt, neemt een nietigverklaring in beginsel het stigma van de tuchtmaatregel weg: aan te tonen valt dus waarom dat odium zo zwaar drukt dat de gewone procedure niet afgewacht kan worden. Louter poneren dat de reputatieschade definitief is, volstaat niet om zulks ook aannemelijk te maken. Bovendien is verzoeker op grond van dezelfde aantijgingen verwijderd uit zijn functies bij de NVAO en zijn, aldus verzoeker, die “onderliggende redenen snel gekend […] door aanzienlijk veel personen”. Dan blijft de vaststelling – zo toch wordt meegegaan in de zienswijze van verzoeker – dat een schorsing van het ontslag die voorafgaande beslissingen niet ongedaan maakt en dus evenmin de negatieve perceptie ervan in zijn naaste omgeving. 12. Bij de uiteenzetting van de spoedeisendheid voert verzoeker argumenten aan die veeleer de onwettigheid van de bestreden beslissing betreffen en zodoende een herhaling zijn van de middelen. De voorwaarde van het ernstig middel is echter te onderscheiden van de voorwaarde van spoedeisendheid. De ernst van een middel toont op zich de spoedeisendheid van de vordering niet aan. 13.1. Ten slotte schrijft verzoeker: “De emotionele tol van het niet gehoord worden nadat [verzoeker] uiterste inspanningen heeft geleverd om de financiële problemen bij de NVAO aan te kaarten en dan middels een schandaal uit zijn positie gerukt te worden, was zo hoog dat [verzoeker] in behandeling is moeten gaan bij een psychiater (stuk 1 – vertrouwelijke stukken). Hij werd bij zijn psychiater behandeld voor depressie, angsten, suïcidale gedachten,…). Deze psychische gevolgen zijn zeer ernstig en des te erger nu [verzoeker] een Ministerieel Besluit heeft ontvangen waarbij de uitspraak van zijn tuchtdossier definitief is geworden. [Verzoeker] kan hierbij niet wachten IX-9916-10/13 tot een beslissing ten gronde over de vernietiging onder meer om definitieve en onherstelbare psychische gevolgen te vermijden.” 13.2. De “onherstelbare psychische gevolgen” waarop verzoeker alludeert zijn volgens de eigen uiteenzetting niet zozeer het gevolg van het bestreden besluit, maar wel de “tol van het niet gehoord worden” en verzoeker koppelt ze bovendien aan de onjuiste premisse dat het bestreden besluit “definitief is geworden” – wat slechts zal blijken na afloop van de procedure ten gronde. Voorts is de uiteenzetting hieromtrent die verzoeker geeft bondig en veeleer stellend. Of de psychische toestand van verzoeker het gevolg is van de thans bestreden beslissing, dan wel van de vroegere gebeurtenissen, is ter discussie. Zoals hiervóór al is opgemerkt, neemt de thans bestreden beslissing hoe dan ook niet weg dat verzoeker zich geconfronteerd ziet – en bij een eventuele schorsing vooralsnog blijft zien – met een verwijdering uit de NVAO op grond van de aantijgingen die naar zijn zeggen aanleiding hebben gegeven tot zijn psychiatrische behandeling. Van de beslissingen die met die verwijdering rechtstreeks in verband staan (zie feitenrelaas hiervóór) heeft verzoeker niet de schorsing gevorderd. Een laatste bedenking is dat een schorsingsarrest enkel naar de toekomst effect heeft. Noch het medisch attest dat verzoeker neerlegt, noch wat hij zelf argumenteert in het verzoekschrift laat echter toe in te zien hoe een schorsingsarrest helende werking heeft. De Raad van State mist daartoe elke expertise. Het attest stelt niet ondubbelzinnig dat de toestand van verzoeker het dadelijk gevolg is van de bestreden beslissing (de toestand van verzoeker is “geluxeerd door beschuldigingen op het werk met ontslag tot gevolg”); het legt bovendien geen enkel verband tussen de medische toestand van verzoeker en het moeten afwachten van het resultaat van de procedure ten gronde. Uit het medisch attest leert de Raad van State dat verzoeker voor zijn depressieve stemming geholpen wordt door een “medicamenteuze behandeling”. Een arrest is niet klaarblijkelijk zo een medicijn en noch in het verzoekschrift, noch door de behandelend arts wordt toegelicht, laat staan aannemelijk gemaakt dat een arrest IX-9916-11/13 waardoor verzoeker het werk moet hervatten zulke “medicamenteuze” effecten kan hebben. 14. Ook het morele nadeel kan niet worden bijgevallen. IX-9916-12/13 c. besluit 15. De spoedeisendheid is niet aangetoond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9916-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.542 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.