← België

Arrest 252567 - Milieuvergunningen - 29/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.567 Rolnummer: A. 235240/VII-41264 Zaak: Arrest 252567 - Milieuvergunningen - 29/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-04 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-12 17:37 Fiche Arrest nr 252.567 van 29 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.567 van 29 december 2021 in de zaak A. 235.240/VII-41.264 In zake: 1. Eva FROONINCKX 2. Toon PENEN 3. de VZW GREENPEACE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Audrey Baeyens en Carole Billiet kantoor houdend te 1050 Brussel Flageyplein 18, 5e verd. bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW GRONDBANK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Deltour kantoor houdend te 1030 Brussel August Reyerslaan 80 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de NV STADSBADER 2. de NV CIT BLATON 3. de NV ARTES ROEGIERS 4. de NV ARTES DEPRET 5. de BV MOBILIS samen vormend een tijdelijke maatschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marco Schoups, Kris Lemmens en Kristof Hectors kantoor houdend te 2000 Antwerpen De Burburestraat 6-8, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen 6. de NV VAN PUBLIEK RECHT BEHEERSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN MOBIEL (BAM), handelend onder de naam LANTIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Bastiaan Schelstraete en Maarten Christiaens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 VII-41.264-1/58 bij wie woonplaats wordt gekozen 7. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Johan Verbist, Britt Weyts en Joyce Van Caeyzeele kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 187/302 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip Dewallens, Christophe Lemmens en Thierry Vansweevelt kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 17 december 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “-De conformverklaring met nr. 2015-16-210737 van 3 december 2021 van de actualisatie van het Technisch Verslag infrastructuurwerken Linkeroever dd. 19/12/2019, met als referentie OWL1-SBSRTS-RAP-0001 (eerste bestreden beslissing); - De conformverklaring met nr. 2046-19-305809 van 3 december 2021 van de actualisatie van het Technisch Verslag Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever dd. 21/11/2020, met als referentie OWVA-SBS-BAM-RAP-0027 (tweede bestreden beslissing); - De grondverzettoelating met nr. 5046-19-305809.04 van 22 november 2021 in het dossier Scheldetunnel voor afvoer van uitgegraven bodem buiten werf (derde bestreden beslissing) - Alle navolgende beslissingen die gebaseerd zijn op voormelde documenten, zoals, maar niet uitsluitend, de grondverzettoelatingen van onbekende datum gebaseerd op de actualisatie van het Technisch Verslag infrastructuurwerken Linkeroever, nieuwe grondverzettoelatingen gebaseerd op de actualisatie van het Technisch Verslag Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever, bodembeheerrapporten...(overige bestreden beslissingen)”. II. Verloop van de rechtspleging VII-41.264-2/58 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 23 december 2021 hebben de nv Stadsbader, de nv Cit Blaton, de nv Artes Roegiers, de nv Artes Depret en de bv Mobilis gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Met een verzoekschrift van 23 december 2021 heeft de nv van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM), handelend onder de naam Lantis, gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Met een verzoekschrift van 27 december 2021 heeft het Vlaamse Gewest gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 december 2021, om 10 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Audrey Baeyens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bernard Deltour, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaten Kris Lemmens en Pauline Van Bogaert, die verschijnen voor de eerste tot en met de vijfde tussenkomende partij, advocaten Jan Bouckaert en Bastiaan Schelstraete, die verschijnen voor de zesde tussenkomende partij en advocaten Johan Verbist en Joyce van Caeyzeele, die verschijnen voor de zevende tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.264-3/58 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten Realisatie van verkeersinfrastructuur in de Antwerpse regio 3. Bij decreet van 13 december 2002 houdende de oprichting van de naamloze vennootschap van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) wordt de Vlaamse regering gemachtigd om BAM onder de door dit decreet bepaalde voorwaarden op te richten. BAM heeft luidens artikel 4, eerste lid van dit decreet als opdracht de financiering, de realisatie, het beheer en de exploitatie van verkeersinfrastructuur in de Antwerpse regio met het oog op het bevorderen van de mobiliteit. Met dit doel sluiten de Vlaamse regering en BAM overeenkomsten af, luidens artikel 3, § 1, 1° van de door de Vlaamse regering goedgekeurde statuten van BAM. In dat kader realiseert BAM onder meer het “Oosterweelproject”, id est de sluiting van de Antwerpse ring middels een derde Scheldekruising, en de infrastructuurwerken op Linkeroever. Verzet van verontreinigde grond 4. Uit de dadingsovereenkomst van 7 februari 2018 tussen BAM en 3M blijkt dat voormelde infrastructuurwerken voor grote hoeveelheden grondverzet zorgen in een zone die verontreinigd werd met PFAS door de nabijgelegen industriële activiteit van 3M. Tijdens onderzoeken tussen 2016 en 2018 ter voorbereiding van de infrastructuurwerken op Linkeroever werden PFC-concentraties (in het bijzonder PFOS en PFOA) in de te verzetten grond, slib VII-41.264-4/58 en grondwater vastgesteld. PFC-concentraties werden daar ook gedetecteerd in het waterbodemonderzoek van de waterlopen (slib) en het rapport grondwateronderzoek in functie van de voorgenomen bemalingen. 5. Naar aanleiding van een verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS in grondwater, bodem en waterbodem ter hoogte van risicolocaties in Vlaanderen, schrijft de OVAM in haar rapport 26 juni 2018 onder meer dat: – de groep poly- en geperfluoreerde alkyl verbindingen (PFAS) een grote groep van meer dan 6000 individuele stoffen omvat. De bekendste PFAS zijn PFOS (perfluoroctaansulfonzuur) en PFOA (perfluoroctaanzuur). Beide stoffen vallen onder de groep van de geperfluoreerde alkylzuren (perfluoralkylzuren; PFAA’

  1. s)die onderverdeeld worden in de verschillende alkylzuren, zoals bijvoorbeeld sulfonzuren (waar PFOS onder valt) en carbonzuren (waar PFOA onder valt), – in het verleden er twee processen zijn gebruikt voor de productie van PFAS: elektrochemische fluorering (ECF) en telomerisatie (TM); dat de PFAS productie door het elektrochemische fluoreringsproces op de 3M locatie in Zwijndrecht werd toegepast die sinds 2001 vanwege zorgen rondom de milieu-effecten sterk werd verminderd en de telomerisatie de voornaamste manier van PFAS-productie werd waarbij geen PFOS of precursors van PFOS worden gevormd, – in het Antwerpse havengebied het gebied rondom de productielocatie van 3M verontreinigd is: er “worden tot op heden verhoogde concentraties PFOS aangetroffen in vogels en zoogdieren in het natuurgebied Blokkersdijk (Lopez Antia et al., 2017; Groffen et al., 2017; D’Hollander, 2014). De omvang van het in Vlaanderen beïnvloede gebied is niet vastgesteld”, – PFAS wijdverspreid aanwezig zijn in het milieu door hun hoge oplosbaarheid, lage/matige sorptie aan bodem en sediment en resistentie tegen biologische en chemische afbraak, PFSA’s en PFCA’s (inclusief PFOS en PFOA) biologisch niet afbreekbaar en veelal eindproducten van de biologische omzetting van precursors en derhalve zogenaamde dead-end daughter products, ofwel de eindproducten van natuurlijke afbraak zijn, VII-41.264-5/58 – hoewel de fysisch-chemische eigenschappen van PFOS en PFOA uitgebreid zijn onderzocht in vergelijking met andere PFAS, de beschikbare data nog steeds relatief schaars zijn en het gedrag ook nog steeds niet volledig begrepen is, – PFAS vanaf lozing/vrijkomen zich door hun persistente eigenschappen ver kunnen verspreiden in het milieu door (
  2. i)uitloging van grond naar grondwater, en vervolgens verspreiding via grondwater, (
  3. ii)verspreiding via de lucht (en depositie in bodem of oppervlaktewater), (iii) verspreiding door (verontreinigd) slib, grondverzet of baggeren, (
  4. iv)afbraak van precursors naar PFAA’s in het milieu, – op basis van toxiciteitsonderzoeken een toelaatbare dagelijkse inname (TDI) wordt afgeleid voor PFOS en PFOA en de laatste jaren een neerwaartse trend zichtbaar is in de TD’s. Het rapport besluit onder meer dat het toetsingskader van PFAS nog steeds in evolutie is en dat algemeen in functie van de tijd strengere toetsingswaarden worden vooropgesteld en bijvoorbeeld wordt verwacht dat op termijn de TDI voor PFOS zal dalen. 6. BAM stelt dat (FAQ, www.oosterweelverbinding.be): – 650 stalen werden onderzocht op de aanwezigheid van PFOS en dat de concentraties sterk variëren “met enkele uitschieters tot 1.100 microgram/kg droge stof (
  5. ds)in en nabij de Palingbeek ten noorden van de E34”: 8,2% van de onderzochte stalen gaf een vastgestelde concentratie aan PFOS hoger dan 70 microgram/kg ds, 35,7% een concentratie tussen 8 en 70 microgram/kg ds, 56% een concentratie onder 8 microgram/kg ds, – 980.000 kubieke meter PFOS-houdende grond is teruggevonden op Linkeroever waarvan 570.000m³ verontreinigd met een waarde tussen 8 en 70 microgram/kg ds, 400.000m³ met een waarde hoger dan 70 microgram/kg ds. VII-41.264-6/58 Vergunningen – Infrastructuurwerken Linkeroever 7. Voor de infrastructuurwerken Linkeroever verleende de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar aan BAM een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning op 15 december 2017 (hierna stedenbouwkundige vergunning LO). De vergunning bepaalt dat de gevraagde werken “het nodige grondverzet met zich mee[brengen]. Er zal zoveel mogelijk gewerkt worden met hergebruik van gronden binnen de eigen zone en, indien dit niet mogelijk is, met hergebruik binnen de projectzone (binnen de kadastrale werkzone). Grond of ruimingsslib dat niet voor hergebruik binnen het project in aanmerking komt, zal afgevoerd worden naar een erkende verwerker”. De akte bepaalt dat de vergunning BAM “niet vrij[stelt] van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen nodig als uitvoering van andere regelgevingen”. De akte geeft het voorbeeld van de regelgeving “inzake grondverzet”. 8. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen verleent op 28 februari 2017 aan BAM een voorwaardelijke milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar “om een infrastructuur ter hoogte van de E17 en de E34 op linkeroever, gelegen te 2000 Antwerpen en te 2070 Zwijndrecht, te exploiteren” (hierna: milieuvergunning LO). 9. Bij besluit van 22 februari 2019 verleende de minister aan BAM en RINKONIËN een voorwaardelijke omgevingsvergunning voor een termijn van 8 jaar voor onder meer tijdelijke werken ter uitvoering van infrastructuurwerken voor de Oosterweelverbinding op Linkeroever, onder meer rubriek 61.2.2° “tussentijdse opslagplaats voor 630.000m³ uitgegraven bodem → 3M: 300.000m³ VII-41.264-7/58 (waarvan maximaal 130.000m³ PFOS-grond code 429) […]” (hierna: omgevingsvergunning RINK 1.0). 10. Bij ministerieel besluit van 10 januari 2020 werden enkele aanpassingen aan laatst vermelde omgevingsvergunning vergund (hierna omgevingsvergunning RINK 2.0). – Oosterweelproject 11. Bij besluit van 20 november 2020 verleent de minister aan BAM een voorwaardelijke omgevingsvergunning “voor de realisatie van de Oosterweelverbinding”. Een aantal stedenbouwkundige handelingen en vegetatiewijzigingen (voor onbepaalde duur) en de exploitatie van een aantal ingedeelde inrichtingen en activiteiten (voor bepaalde en onbepaalde duur) worden vergund (hierna omgevingsvergunning Oosterweelverbinding). 12. Aan de Tijdelijke Maatschap COTU verleent de minister op 28september 2021 een voorwaardelijke omgevingsvergunning voor een termijn van 9 jaar voor stedenbouwkundige handelingen, meer bepaald de werfinrichting Scheldetunnel op Linkeroever, de werfinrichting Scheldetunnel op Rechteroever, en voor de exploitatie van de werfinrichting Scheldetunnel Linker- en Rechteroever. De werfzone LO en RO zijn deels gelegen in VEN-gebied, respectievelijk “De Blokkersdijk” en het VEN-gebied “Slikken en schorren langsheen de Schelde, en deels in het habitatrichtlijngebied “Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent”. De werfzone LO is op ongeveer 45 meter van het VEN-gebied “Slikken en schorren langsheen de Schelde” en nabij het vogelrichtlijngebied “De Kuifeend en Blokkersdijk” gelegen. De beoordeling “Bodem en grondwater” en “lucht” luidt: VII-41.264-8/58 “… Ter ondersteuning van de werfwerkzaamheden wordt op de werfzone LO een tussentijdse opslag voor uitgegraven bodem (TOP) voorzien Het betreft hier de opslag van 500.000 m³ aan VLAREBO-gronden. Dit zijn gronden die geschikt zijn voor gebruik als bodem of in bouwkundig bodemgebruik. Het gebruik van uitgegraven bodem gebeurt volgens de regels van het grondverzet, zoals bepaald in het Bodemdecreet en het VLAREBO zoals opgenomen in artikel 5.61.1, §2, van titel II van het VLAREM gelden de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.61 ook onverminderd de bepalingen van het Bodemdecreet Artikel 5.61.2, §1, stelt bovendien dat uitgegraven bodem slechts mag worden aanvaard op voorwaarde dat de oorsprong en de herkomst ervan bekend zijn en de samenstelling is vastgelegd overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming De uitgegraven bodem wordt aanvaard conform de bepalingen vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling IV, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007. Voor de uitvoering van de grondwerken wordt er uitgegaan van een gesloten grondbalans binnen de kadastrale werfzone van dit project, dat de uitgebreide werf op de Linkeroever en de kleinere werf op de Rechteroever omvat. Dit betekent dat de grondbalans binnen het project zo is opgevat dat de uitgegraven bodem zoveel mogelijk wordt hergebruikt binnen deze werfzone. Een deel van de uitgegraven bodem die tijdelijk op Linkeroever wordt opgeslagen, wordt naar werfzone RO teruggevoerd voor de aanvullingen daar. Het deel aan uitgegraven bodem dat niet hergebruikt kan worden binnen de werfzone, voert de exploitant af. Deze afvoer is alleen gericht op gebruik van grond in naburige projecten binnen het project Oosterweelverbinding. Indien de vervuiling de normwaarden voor gebruik als bodem of bouwkundig bodemgebruik overschrijdt, dan is de afvoer bestemd voor vergunde inrichtingen voor grondreiniging. Het aandeel van grondoverschotten is beperkt, maar niet specifiek opgenomen in het dossier. De tijdelijk[e] opslag omvat alle gronden die vanuit een ontgraving binnen de werfzone naar een van de vier opslaglocaties zullen gaan, tot wanneer zij op de dezelfde plek of elders terug worden ingezet binnen de werfzone. De partijen grond die tijdelijk en gescheiden opgeslagen worden, zijn uitsluitend afkomstig van de werken aan de Scheldetunnel binnen eenzelfde werfzone. Ze zullen zonder uitzondering voldoen aan de normen van het VLAREBO voor gebruik als bodem of bouwkundig bodemgebruik. Deze inschatting is mogelijk op basis van de voorlopige en definitieve technische verslagen van de uitgegraven bodems. Om de doelstelling van een gesloten grondbalans te bereiken, is het noodzakelijk om de uitgegraven gronden tijdelijk op te slaan. Dit gebeurt in 4 tijdelijke opslagplaatsen. De gevraagde maximale capaciteit van deze 4 TOP’s is noodzakelijk om de werken qua planning en tijd en binnen het concept van hergebruik te kunnen uitvoeren. De grondsoorten worden strikt gescheiden opgeslagen zonder fysieke overlappingen. Dit vermijdt VII-41.264-9/58 onderlinge contaminatie van grondsoorten met verschillende milieu-hygiënische kwaliteit. Alle gronden worden gekarakteriseerd met een driedelige code van het grondverzet. De exploitant wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat overeenkomstig artikel 5.61.4 van titel II van VLAREM het mengen van partijen uitgegraven bodem met het oog op verdunnen van verontreiniging verboden is. De werfzone bevindt zich nabij OVAM-dossier 732. Hier is een sterk verhoogde aandacht voor de aanwezigheid van PFAS/PFOS-parameters in de bodem. PFAS/PFOS is een parameter(groep) die niet is opgenomen m bijlage V van VLAREBO, waardoor overeenkomstig artikel 168, §3, geldt dat bodemmaterialen die deze stoffen bevatten, alleen kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder voorwaarde dat

(1)het gebruik van de bodemmaterialen geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaakt en
(2)de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert. Sinds 1 april 2021 zijn de ‘Richtlijn PFAS-onderzoek’ en de ‘Toetsingswaarden voor PFAS in bodem en grondwater’ van 5 maart 2021 van OVAM van toepassing (terug te vinden op httpsV/www.ovambe/sites/default/files/atoms/files/ML_Richtlijn_PFAS_ onderzoek_vanafJ_april_2021_210304.pdf). De Richtlijn PFAS-onderzoek bevat richtlijnen voor erkende bodemsaneringsdeskundigen om bij de uitvoering van decretale bodemonderzoeken of in het kader van grondverzet PFAS als verdachte stof te analyseren afhankelijk van de uitgevoerde activiteiten op het terrein. De op te slagen bodemmaterialen zijn afkomstig van projectzones waarvoor het toetsingskader voor PFOS als een niet-genormeerde parameter van toepassing is en moeten voldoen aan de hierin opgenomen toetsingsvoorwaarden voor gebruik als bodem of bouwkundig bodemgebruik. Het oorspronkelijk aanvraagdossier vermeldt geen onderscheid tussen uitgegraven bodem op basis van de analyses voor PFOS. In een nota met verduidelijkingen van de exploitant, opgeladen via een bericht in het Omgevingsloket op 12 juli 2021, wordt toegelicht hoe de gescheiden opslag van PFOS-houdende en niet-PFOS-houdende uitgegraven bodem zal worden aangepakt. In het beheer van de gronden zal overeenkomstig de conformverklaring van de Grondbank 2046-19-305809 een onderscheid worden gemaakt tussen gronden met code 421 en gronden met code 421!, die volledig gescheiden van elkaar gestockeerd worden. Deze codes geven het onderscheid aan tussen de gronden die voldoen voor gebruik als bodem en bouwkundig bodemgebruik: – code 421 geldt voor gebruik als bodem. PFOS-concentratie – code 421! geldt voor en voor bouwkundig bodemgebruik: PFOS-concentratie tussen 3 μg/kg DS en 70 μg /kg/DS, PFOA-concentratie tussen 3 μg /kg DS en 70 μg /kg/DS of som PFAS-concentratie tussen 8 μg /kg DS en 70 μg /kg/DS. VII-41.264-10/58 Naast code 421 en 421! is ook nog code 429!, dit betreffen gronden met een PFC-concentratie > 70 μg/kg DS. Gronden met code 429! worden niet in de TOP’s gestockeerd. Aangezien de opgeslagen gronden moeten voldoen aan de toetsingsvoorwaarden voor gebruik als bodem of bouwkundig bodemgebruik van de ‘Toetsingswaarden voor PFAS in bodem en grondwater’ van 5 maart 2021 van OVAM, mogen er geen gronden met code 429! opgeslagen worden op de TOP. Dit wordt opgenomen in de voorwaarden. De 4 locaties van de TOP kunnen gebruikt worden voor de beide grondsoorten (code 421 en 421!). Er zal echter steeds geopteerd worden om 421!- gronden prioritair te concentreren binnen 2 TOP’s, meer bepaald Blokkersdijk (potentiële capaciteit van circa 180 000 m3) en Inlaagdijk (potentiële capaciteit van circa 130.000 m³). Aanvankelijk schatte de exploitant het totale volume 421!-gronden op een 150 000 m³. Gezien de verlaging van de drempel in de toetsingswaarde voor PFOS van 8 μg/kg DS naar 3 μg/kg DS zal dat volume naar alle waarschijnlijkheid groter zijn tijdens de voortgang van de werken. In de nota van 12 juli 2021 wordt ook verduidelijkt dat op elke locatie van de TOP een weersbestendige identificatieplaat aangebracht zal worden met vermelding van de driedelige code. De locaties zullen ook een naam toegewezen krijgen waardoor er steeds een link is met de database waarin alle grondtransporten worden bijgehouden. In het geval van opslag van 421!-gronden zal deze aangelegd worden boven het grondwaterpeil (hoger dan +3 45m TAW). In de nota van 12 juli 2021 wordt verder verduidelijkt dat op de locaties waar 421-gronden zullen gestockeerd worden voorafgaandelijk de aanwezige 421! laag zal weggenomen worden, zodat er geen contaminatie van de verschillende milieu-hygiënische kwaliteiten mogelijk is. In het advies van de afdeling GOP van het Departement Omgeving wordt voorgesteld om hierover de volgende bijzondere milieuvoorwaarde op te nemen ‘De bovenste laag van de ondergrond waarop de TOP zal worden aangelegd, wordt afgegraven tot op een diepte waar de concentraties aan PFOS, PFOA en PFAS onder de richtwaarde/waarde vrij hergebruik ligt, zoals opgenomen in de ‘Richtlijn PFAS-onderzoek’’. Deze voorwaarde zou echter inhouden dat ook voor de opslag van gronden met code 421! de ondergrond wordt afgegraven tot een diepte waar de ondergrond voldoet aan de waarden van code 421. In de plaats van deze voorwaarde wordt dan ook opgenomen dat op de TOP’s waar 421-gronden zullen gestockeerd worden voorafgaandelijk de aanwezige 421! laag weggenomen wordt. Uit de verduidelijkingen van de exploitant blijkt dat men werkt volgens de code van goede praktijk en met een conformverklaring van een bodembeheerorganisatie. Dit biedt garantie voor een correct beheer en hergebruik van de uitgegraven bodems. Door het hanteren van een onderscheid tussen de gronden op basis van de PFOS-concentratie om de opslag en het gebruik te regelen, houdt de exploitant rekening met de gewijzigde toetsingswaarden voor gebruik van gronden die OVAM heeft gepubliceerd op 5 maart 2021. VII-41.264-11/58 De exploitant wordt uitdrukkelijk gewezen op het werkplan, zoals verplicht volgens artikel 5.61.3 van titel II van VLAREM. Dit werkplan moet bij aanvang van de werken klaar zijn, en goedgekeurd door de toezichthoudende overheid. De exploitant wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat aandachtspunten en bijzondere milieuvoorwaarden met betrekking tot de TOP in het werkplan geïntegreerd moeten worden. Dit wordt opgenomen als aandachtspunt. Het beheer aangepast aan de gewijzigde toetsingswaarden voor PFOS-concentraties met onderscheid tussen twee grondtypes 421 en 421! is nog niet opgenomen in het voorlopige werkplan. Dit aangepaste beheer moet worden opgenomen en uitgeschreven in het werkplan. Dit wordt opgenomen in de voorwaarden. Uit addendum Q2 en het voorlopige werkplan blijkt dat slechts een beperkt volume zand (5.000 m³) terug wordt afgevoerd naar de werfzone RO voor de aanleg van de Scheldedijken. Het gros van het op de TOP gestockeerde zand en klei zal hergebruikt worden op de werfzone LO, voor de aanleg van de cut & cover en de Scheldedijken. Dit is in lijn met de algemene aanbeveling in de Richtlijn PFAS-onderzoek waarin wordt gesteld: ‘Bodemmaterialen die ontgraven worden op PFAS-verdachte terreinen, worden bij voorkeur zoveel mogelijk op het terrein zelf hergebruikt. Om bv. ongecontroleerde verspreiding van PFAS in oa woongebieden etc. tegen te gaan wordt het hergebruik van deze bodemmaterialen buiten de kadastrale werkzone afgeraden’. Voor wat betreft bodem/grondverzet adviseert de Expertencommissie Grondverzet om voor het gebruik van uitgegraven bodem met concentraties tussen 3 en 70 μg/kg DS een risicogebaseerde aanpak toe te passen die rekening houdt met de kwaliteit van de aanwezige bodem. Het aangepaste beheer zoals hierboven beschreven voldoet hier aan. De commissie adviseert verder om rekening te houden met de kwaliteit van de aanwezige bodem en aan te tonen dat er geen bijkomend risico voor het grondwater ontstaat door vrij gebruik als bouwkundig bodemgebruik, binnen de toepassingszone van de grond. Hiertoe wordt best een aangepaste methodiek ontwikkeld die de kwaliteit van de aanwezige bodem in rekening brengt, in samenspraak met de bodembeheerorganisatie, eventueel onderbouwd door bijkomende uitloogtesten. Voor wat betreft grond- en oppervlaktewater adviseert de commissie om een langdurig en aangepast monitoringsplan voor grondwater en oppervlaktewater uit te werken om het effect van de werken op lange termijn op te volgen in de zones waar vrij gebruik als bouwkundig bodemgebruik wordt toegestaan. Gebaseerd op het advies van de Expertencommissie en gelet op artikel 5.61.2, §5, van titel II van VLAREM, stelde de afdeling GOP van Departement Omgeving ter controle van de grondwaterkwaliteit volgende bijzondere voorwaarde voor ‘Rond de hopen van de TOP waar uitgegraven bodem met de code 421 opgeslagen wordt, wordt een representatief aantal peilbuizen geplaatst. De locatie en filterstelling van deze peilbuizen wordt bepaald in overleg met een erkend bodemsaneringsdeskundige. Vóór de aanleg van de TOP wordt een nulmeting uitgevoerd, en vervolgens wordt om de twee maanden een meting (monstername en analyse) uitgevoerd. Het bemonsteren en analyseren gebeurt door een erkend laboratorium, in de VII-41.264-12/58 discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL De te analyseren parameters zijn minstens de PFAS-parameters opgenomen in de WACJV_A_025. De resultaten worden jaarlijks gebundeld in een rapport en ter informatie overgemaakt aan de volgende adviesinstanties, de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en - projecten van het Departement Omgeving (gop.ant.omgeving@vlaanderen be), de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving (omgevingsinspectie.ant@vlaanderen.
  1. be)en OVAM. Het rapport wordt opgemaakt door een erkend bodemsaneringsdeskundige. In het rapport wordt een evaluatie gemaakt van de vastgestelde metingen en worden desgevallend maatregelen voorgesteld’. De aanvraag betreft echter met het toepassen van de uitgegraven bodem, wel een tussentijdse opslagplaats binnen de kadastrale werkzone. In tegenstelling tot het gebruik van bodem als bodem of voor bouwkundig bodemgebruik, is een TOP geen definitieve toepassing, maar een tijdelijke. De tijdelijke opslag van gronden zal 2 a 3 jaar duren, waardoor de voorgestelde langdurige monitoring niet mogelijk en niet zinvol is. Het gebruik van bodem als bodem of voor bouwkundig bodemgebruik is in tegenstelling tot een TOP ook geen ingedeelde activiteit. Voor een TOP zijn waarborgen en voorwaarden ingebouwd in het VLAREM en in de Codes van Goede Praktijk voor een TOP voor uitgegraven bodem. Bij naleving van het VLAREM, de Codes van Goede Praktijk en de hiervoor besproken bijzondere voorwaarden, mag men er dan ook redelijkerwijze van uitgaan dat er geen bijkomende maatregelen noodzakelijk zijn voor de bescherming van de mens en het milieu. Er moet benadrukt worden dat de exploitatie van de TOP bovendien geen aanleiding geeft tot een bijkomend risico op grondwaterverontreiniging. De gronden die tijdelijk opgeslagen worden, zijn immers nu reeds aanwezig ter hoogte van de gehele werfzone. Hun opslag op één van de TOP’s geeft dan ook geen aanleiding tot een verhoogd risico. De meest vervuilde gronden met grondstoffencode 429! (> 70 μg/l PFC) worden er bovendien niet opgeslagen, terwijl zij nu wel aanwezig zijn in de bodem. Aangezien gronden met een code 429! (> 70 μg/l PFC) niet tijdelijk opgeslagen zullen worden, is er ook geen risico op uitloging aangezien de uitlogingsgrens ligt op 70 μg/l. In het geval van een TOP voor 421! gronden zal deze aangelegd worden boven het grondwaterpeil (hoger dan +3 45 m TAW), terwijl diezelfde gronden nu ook aanwezig zijn in de ondergrond. De voorgestelde monitoring kan ook niet het gewenste inzicht verschaffen aangezien de kwaliteit van het grondwater niet uitsluitend kan worden toegeschreven aan de werf. De werken aan de vergunde Scheldetunnel op zich kunnen bijkomende grondwaterstromingen veroorzaken zonder dat de aanvrager hierop enige invloed kan uitoefenen door een correcte en conforme exploitatie van de TOP’s. Daarnaast zijn er van nature grote grondwaterschommelingen én fluctuaties in de samenstelling van het grondwater, zoals blijkt uit de beschikbare metingen. Conclusies trekken op basis van deze metingen zou dan ook niet mogelijk zijn. De aanvrager geeft verder ook aan dat het onduidelijk is welk toetsingskader van VII-41.264-13/58 toepassing zou zijn en wanneer maatregelen genomen zouden moeten worden en dat het nemen van maatregelen veronderstelt dat men de volledige controle heeft op de grondwaterkwaliteit hetgeen in dit geval onmogelijk is. Er kan ook opgemerkt worden dat het boren van peilbuizen ook een risico inhoudt op bijkomende grondwaterverontreiniging. Gelet op bovenstaande motivering wordt de voorgestelde voorwaarde inzake de grondwatermonitoring met opgenomen. Gelet op de genomen maatregelen, inclusief de doorwerking van de milderende maatregelen uit het project-MER, en de voorgestelde bijzondere voorwaarden, wordt verwacht dat de effecten op de bodem en het grondwater aanvaardbaar zijn. Lucht Emissies naar de lucht kunnen afkomstig zijn van de machines en het werfverkeer (uitlaatgassen en stof), de cementsilo’s en de TOP (stof) Volgens de aanvraag zullen de gebouwen verwarmd worden met warmtepompen, zodat er geen relevante geleide emissies te verwachten zijn. […] De uitbating van de TOP kan aanleiding geven tot stofhinder. Op de TOP worden grond/zand en klei opgeslagen, dit zijn stoffen van stuifcategorie SC2 (stuifgevoelig, wel bevochtigbaar), overeenkomstig bijlage 4.4.7.1 van titel II van VLAREM. De grondhopen worden niet ingezaaid of afgedekt gezien het een zeer actieve TOP betreft, waar bijna continu gronden toegevoegd en afgehaald zullen worden. De exploitant wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat de algemene voorwaarden van afdeling 4.4.7 ‘Beheersing van niet-geleide stofemissies’ van titel II van het VLAREM van toepassing zijn. In het bijzonder wordt gewezen op artikel 4 4.7.11, §3, dat stelt: ‘Vanaf 1 januari 2014 moet de exploitant procedures en instructies voor de beheersing van de niet-geleide stofemissies ter beschikking hebben voor het eigen personeel en voor het personeel van derden die op de inrichting activiteiten uitvoeren met een potentiële impact op de stofemissies’. De TOP (4 locaties) heeft een grondoppervlakte van minder dan 50.000 m² en de verwachte overslaghoeveelheid is minder dan 700.000 ton. Hierdoor is geen stofrapport vereist, volgens artikel 4.4.7.2.10 van titel II van VLAREM. De exploitant wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat de algemene voorwaarden van artikel 4.4.7.2.4 tot en met 4.4.7.2.9 van titel II van VLAREM van toepassing zijn, aangezien de verwachte overslaghoeveelheid meer dan 70.000 ton per jaar bedraagt. Deze voorwaarden houden onder meer in dat: – informatie over onderhoudsbeurten voor de technische installaties wordt bijgehouden (artikel 4.4.7.2.4); – bij opslag in open lucht de stuivende stoffen worden bevochtigd en bijkomend, indien het terrein en de installaties het toelaten, het opslagterrein wordt voorzien van windreductieschermen (artikel 4.4.7.2.5, §1,1°), VII-41.264-14/58 – bijkomend, indien het terrein en de installaties het toelaten, de opgeslagen hoeveelheden in zo weinig mogelijk hopen worden verzameld (artikel 4.4.7.2.5, §1, 3°); – bijkomend, indien het terrein en de installaties het toelaten, de hellingsgraad van de hopen zo gekozen wordt dat de toplaag niet afglijdt (artikel 4.4.7.2 5, §1, 4°); – bij droog of winderig weer de hopen extra besproeid worden met water of schuim (artikel 4.4.7.2.5. §2), – stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen maximaal wordt voorkomen door bevochtiging van de stoffen en het ter beschikking stellen van procedures aan de operatoren (artikel 4.4.7.2.6, §1), – stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen via grijpers maximaal wordt voorkomen door gebruik van geschikte grijpers (artikel 4.4.7.2.5, §2), – stofverspreiding bij het laden en het lossen van vrachtwagens met stuivende stoffen maximaal wordt voorkomen (artikel 4.4.7.2.5, §7); – stofverspreiding door verkeer op en rond het terrein maximaal wordt voorkomen door de wegen op het terrein regelmatig schoon te maken, de voertuigsnelheid op het terrein te beperken, de wegen van het terrein te besproeien als er kans op stofverspreiding is, de plaatsen waar de op- en overslag plaatsvindt regelmatig te reinigen, en maatregelen te nemen om stofverspreiding op de openbare weg maximaal te voorkomen (artikel 4.4.7.2.7); – de exploitant, minstens gedurende de periode dat overslagactiviteiten plaatsvinden, voor toezicht zorgt op de op- en overslagactiviteiten om stofemissies snel waar te nemen en de oorzaak ervan te achterhalen, zodat de gepaste maatregelen getroffen kunnen worden (artikel 4.4.7.2.8). In de aanvraag zijn verschillende maatregelen beschreven om stofhinder te voorkomen, die invulling geven aan deze voorwaarden. Deze maatregelen zijn opgenomen in het document ‘E4 Effect luchtkwaliteit’ en document ‘Tabel Milderende maatregelen en aanbevelingen’. In dit laatste document wordt aangegeven hoe deze maatregelen verwerkt werden in de vergunningsaanvraag. Er wordt gesteld dat de doorwerking van de milderende maatregelen en aanbevelingen gegarandeerd wordt middels een expliciete doorvertaling naar het bestek als eis voor de aannemer. – De tijdelijke opslag van gronden zal hoofdzakelijk beperkt blijven tot gronden die in functie van de grondbalans binnen het project kunnen worden verwerkt; – Bij droge weeromstandigheden zal de TOP besproeid worden, alsook de werfwegen. – Tussen de werfzone LO en het natuurgebied Blokkersdijk wordt een 6 m hoge bufferwal aangelegd met daarop een 2 m hoge schanskorf (gevuld met houtsnippers); – Er zullen ook voldoende frequent veegwagens ingezet worden met natte veging om stofvorming te beperken op het terrein en de naaste omgeving. VII-41.264-15/58 – Er zal een goede housekeeping worden nagehouden op de werven, waarbij stof regelmatig zal worden opgeruimd. – Tijdens droog weer of bij veel wind zullen handelingen extra omzichtig worden uitgevoerd. De hoogte van de 4 voorziene TOP-locaties binnen de werfzone LO varieert tussen 14 m en 22 m. Dit houdt een reëel risico in op verstuiving en verspreiding van stof en zand door de wind. In de nota van 12 juli 2021 verduidelijkte de exploitant hoe de stofbeheersing tot op deze hoogte zal gerealiseerd worden. De hopen zullen op een gecontroleerde en trapsgewijze manier aangelegd worden met pistes die rond de TOP oplopen en ervoor zorgen dat de TOP op elk niveau toegankelijk en berijdbaar gemaakt worden voor de stofbeheersing Deze pistes zijn onverhard en zullen in zand (wegens meest efficiënt voor transport met dumpers) aangelegd worden. Het aantal kruisingen of omwentelingen met pistes rond de TOP hangt af van de hoogte en oppervlakte van de TOP. De besproeiing van zowel de pistes als de TOP zal gebeuren met een sproeikar die zal uitgerust worden met een aangepast sproeisysteem om zowel in hoogte als breedte voldoende oppervlak te kunnen bereiken. Bijgevolg moet op de werf steeds een sproeiwagen of sproeimateriaal aanwezig zijn, die bevochtiging van de opslaghopen tot op de bovenkant van de TOP mogelijk maakt. Dit wordt opgenomen in de voorwaarden. Voor wat betreft stof adviseert de Expertencommissie Grondverzet om een doordachte en onderbouwde meetcampagne te voorzien waarbij zowel het gehalte opwaaiend stof alsook de gehaltes aan PFAS in deze stalen worden gemeten. Omwille van de specifieke vervuiling van de bodem in de kadastrale werkzone (KWZ) zouden de gehaltes aan opwaaiend en neervallend stof moeten gemeten worden met behulp van luchtstalen en depositiekruiken. Niet alleen de gehaltes van het opwaaiend stof (>PMi0, PMi0en PM2.5), maar ook de gehaltes van de PFAS in deze stalen moeten gemeten worden. Deze meetstations moeten doordacht opgesteld worden zowel binnen de KWZ als aan de grens ervan in de richting van bewoning en van recreatieterreinen en rekening houdende met omliggende gevoelige receptoren en met de windrichting. Bij de interpretatie van de resultaten moet rekening gehouden worden met referentiepunten en de weersomstandigheden. De metingen moeten gebeuren zowel tijdens als na de werken. Volgens (https://nieuws oosterweelverbindingbe/oosterweelwerken-gaan-veilig-verder-nadoorlicht ingexpertencommissie/) is Lantis sinds begin juni gestart met luchtmetingen. Aan de hand van deze metingen kan Lantis nagaan of het stof dat wordt aangetroffen op de werf PFOS bevat. Op vraag van de Commissie zal Lantis deze meetcampagnes meer structureel maken zodat de metingen over een langere termijn kunnen lopen, wat een betere garantie geeft naar de resultaten toe. Gezien de grote TOP die wordt voorzien op de werf die het voorwerp is van deze aanvraag, is de oordeelkundige plaatsing van een meetstation, in de buurt van deze TOP, een belangrijke meerwaarde in deze campagne. De volgende bijzondere voorwaarde wordt dan ook opgenomen ‘Om de VII-41.264-16/58 stofbeheersingsmaatregelen ter hoogte van de werfzone LO te controleren, wordt in samenspraak met een MER-deskundige in de discipline lucht, deeldomein luchtverontreiniging, op een geschikte locatie een meetstation voor stof voorzien en een stofmeetactieplan opgesteld. Het stofmeetactieplan voorziet in een meetcampagne waarbij via stofstalen het gehalte opwaaiend stof, en de gehaltes aan PFAS in deze stalen, afkomstig van de werfzone LO gemeten wordt. In het werkplan wordt de locatie van dit meetstation aangeduid en het stofmeetactieplan ter hoogte van dit meetstation opgenomen. Voor de invulling van deze bijzondere voorwaarde kan gebruik gemaakt worden van stofmeetcampagnes die door derden worden opgezet’. Het is met andere woorden mogelijk dat Lantis, als opdrachtgever voor de werken, deze verplichting uitvoert in plaats van de aannemer, die deze aanvraag heeft ingediend informatie op de website van de Oosterweelverbinding. Het is aangewezen om, aanvullend op artikel 4.4.7.2.8 van titel II van VLAREM, dat zich beperkt tot de periode van overslagactiviteiten, bijkomende milieuvoorwaarden op te leggen inzake monitoring. Zoals blijkt uit de Gids reductietechnieken voor diffuse stofemissies bij op- en overslag bulkgoederen (https //emis.vito.be/sites/emis/files/pages/n42/2013/vito-BBT_Stofemissie-boo kmarks.pdf), kan een continue monitoring van de stofemissies op een op- en overslagterrein toelaten de efficiëntie van de toegepaste maatregelen op te volgen en calamiteiten tijdig vast te stellen. Bovendien moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van PFAS-houdende uitgegraven bodem op de werfzone, en - hoewel de stofbeheersing geldt voor zowel PFAS-houdende uitgegraven bodem als niet-PFAS-houdende uitgegraven bodem - is vanuit het voorzorgsprincipe een verhoogde waakzaamheid op de werf aangewezen. Daarom wordt, naast de voorwaarde inzake het meetstation, in de voorwaarden opgenomen dat op de werf een stofbeheersingsverantwoordelijke wordt aangeduid die, op basis van de weersvoorspellingen en een regelmatige rondgang op de werfzone, de nodige instructies verleent aan het werfpersoneel, ook als er geen overslagactiviteiten plaatsvinden De instructies van deze persoon moeten ten allen tijde worden opgevolgd. Ook indien het noodzakelijk wordt geacht om de werf (gedeeltelijk) stil te leggen bij zeer nadelige weersomstandigheden (zeer droog en zeer winderig). Dit houdt in dat ook in periodes dat de werf stilligt (zon- en feestdagen, bouwverlof en dergelijke) een verantwoordelijke moet aangesteld zijn om de te nemen stofbeheersingsmaatregelen op te volgen. De gegevens van deze persoon of zijn aangestelde moeten ook kenbaar gemaakt worden aan de toezichthoudende overheid, zodat in geval van melding van calamiteit, onmiddellijk ingegrepen kan worden. Deze bijzondere milieuvoorwaarde wordt opgenomen als volgt: ‘In aanvulling op artikel 4.4.7.2.8 van titel II van VLAREM wordt voor de werfzone een stofbeheersingsverantwoordelijke aangesteld die, niet alleen tijdens overslagactiviteiten, maar ook in periodes van loutere opslag of periodes waarin geen activiteiten op de werf plaatsvinden, regelmatige rondgangen doet en, op basis van de voorspelde of vastgestelde weersomstandigheden, VII-41.264-17/58 de gepaste stofbeheersingsmaatregelen kan laten nemen. De contactgegevens van deze persoon of zijn aangestelde worden kenbaar gemaakt aan de toezichthoudende overheid (via het werkplan) voor de start van de aanleg van de TOP’. In het rapport van de Expertencommissie wordt ook aangegeven dat het de huidige praktijk op de werf van Oosterweel is om de tijdelijke stocks van (uitgegraven) bodem hydraulisch in te zaaien met een mengsel van graszaad, voedingsstoffen, vocht en kleefmiddel, zodat het verwaaiingsrisico beperkt is omdat er al na enkele dagen grasbegroeiing ontstaat op de stocks. In de voorwaarden wordt opgenomen dat delen van de TOP die niet actief in gebruik zijn zoveel mogelijk hydraulisch ingezaaid worden met een mengsel van graszaad, voedingsstoffen, vocht en kleefmiddel. Aangezien het zoals reeds vermeld om een zeer actieve TOP gaat, zal dit normaal niet voorkomen. Wegens de aanwezigheid van mogelijk verontreinigd stof werd door de afdeling lucht van VMM voorgesteld om in de voorwaarden de stofbeheersingsmaatregelen uit artikel 6.1.2.3 van titel II van het VLAREM cumulatief op te nemen. Deze maatregelen zijn: – de afscherming van de locatie waar de activiteiten worden uitgevoerd, met doeken of zeilen zodat stofverspreiding naar de omgeving wordt voorkomen; – de beneveling van de locatie waar de activiteiten worden uitgevoerd; – de bevochtiging ter hoogte van de apparatuur die leidt tot stofvorming; – het gebruik van een rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines. Daarbij wordt door VMM ook voorgesteld om op te leggen dat gronden en grondtransporten moeten afgedekt worden. In de nota van 6 augustus 2021 geeft de aanvrager aan dat de tijdelijke grondstockages niet afgedekt kunnen worden omdat het gaat om actieve TOP’s waarbij de gronden voortdurend in beweging zullen zijn door aan- en afvoer. Wat de grondtransporten betreft stelt de aanvrager dat de grootste stofverspreiding voortkomt uit opwaaiing vanuit de banden en het interne transport zelf. Om hierop te anticiperen worden de interne werfwegen verhard en regelmatig besproeid en/of nat geveegd en is er een afspuitplaats voorzien. De aanvrager stelt voor om inzake transport en afscherming van de locaties waar gewerkt wordt, een onderscheid te maken tussen de zwaarst verontreinigde gronden 429!-gronden (gronden met een PFC-concentratie > 70 μg/kg DS) en de andere gronden. Naar aanleiding van de verleende adviezen met verschillende voorwaarden en aandachtspunten betreffende de stofbeheersing stelde de aanvrager in de nota van 6 augustus 2021 voor om, naast de voorwaarden betreffende de sproeikar en het aanstellen van een stofbeheersingsverantwoordelijke, de volgende bijzondere voorwaarden op te nemen inzake stofbeheersing: – het afdekken van grondtransporten van gronden met code 429!; – de lokale beneveling van de locatie waar gronden met code 429! worden afgegraven bij droge weersomstandigheden en stofvorming, VII-41.264-18/58 – de bevochtiging (met sproeiwagen) van de verharde werfwegen en onverharde pistes bij droge weersomstandigheden en stofvorming, – de bevochtiging (met sproeiwagen) van de TOP’s bij droge weersomstandigheden en stofvorming; – regelmatige natte veging van de verharde werfwegen; – het gebruik van een rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines; – het gebruik van niet-verontreinigd (bemalings)water bij de beneveling van de locatie waar de activiteiten worden uitgevoerd. Gelet op bovenstaande motivering kan dit voorstel aanvaard worden Deze maatregelen worden opgenomen in de voorwaarden. Het besproeien moet oordeelkundig gebeuren en de toevoer van water voor de stofbeheersing moet steeds gegarandeerd zijn. De exploitant moet daarom voorafgaand aan de start van de aanleg van de TOP beschikken over een watertoevoerplan. Dit watertoevoerplan moet ook worden geïntegreerd in het werkplan voor de TOP. Dit wordt opgenomen in de voorwaarden. Gelet op de voorwaarden van titel II van het VLAREM II inzake stofbeheersing, de maatregelen genomen door de exploitant en mits naleving van de opgenomen bijzondere milieuvoorwaarden, kan verwacht worden dat de stofhinder aanvaardbaar zal zijn”. De vergunning werd verleend onder volgende bijzondere milieuvoorwaarden: “1. De bodemmaterialen die op de TOP worden opgeslagen voldoen aan de toetsingswaarden voor gebruik als bodem of bouwkundig bodemgebruik volgens de ‘Toetsingswaarden voor PFAS in bodem en grondwater’ van 5 maart 2021 van OVAM. Er worden geen gronden met code 429! op de TOP opgeslagen. 2. Het beheer van de gronden aangepast aan de gewijzigde toetsingswaarden voor PFOS-concentraties met onderscheid tussen twee grondtypes (codes 421 – 421!) wordt opgenomen in het definitieve werkplan. 3. Op de TOP’s waar 421-gronden zullen gestockeerd worden wordt voorafgaandelijk de aanwezige 421!-laag weggenomen. 4. Delen van de TOP die niet actief in gebruik zijn worden hydraulisch ingezaaid met een mengsel van graszaad, voedingsstoffen, vocht en kleefmiddel. 5. De volgende stofbeheersingsmaatregelen worden genomen: – het afdekken van grondtransporten van gronden met code 429!, – de lokale beneveling van de locatie waar gronden met code 429! worden afgegraven bij droge weersomstandigheden en stofvorming; – de bevochtiging (met sproeiwagen) van de verharde werfwegen en onverharde pistes bij droge weersomstandigheden en stofvorming, VII-41.264-19/58 – regelmatige natte veging van de verharde werfwegen; – het gebruik van een rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines, – het gebruik van niet-verontreinigd (bemalings)water bij de beneveling van de locatie waar de activiteiten worden uitgevoerd. 6. Op de werf is steeds een sproeiwagen of sproeimateriaal aanwezig, die bevochtiging van de opslaghopen tot op de bovenkant van de TOP mogelijk maakt. 7. De exploitant beschikt voorafgaand aan de start van de aanleg van de TOP over een watertoevoerplan, zodat ten allen tijde de toevoer van water voor stofbeheersing is gegarandeerd. Dit watertoevoerplan wordt geïntegreerd in het werkplan voor de TOP. 8. In aanvulling op artikel 4.4.7.2.8 van titel II van VLAREM wordt voor de werfzone een stofbeheersingsverantwoordelijke aangesteld die, niet alleen tijdens overslagactiviteiten, maar ook in periodes van loutere opslag of periodes waarin geen activiteiten op de werf plaatsvinden, regelmatige rondgangen doet, en op basis van de voorspelde of vastgestelde weersomstandigheden, de gepaste stofbeheersingsmaatregelen kan laten nemen De contactgegevens van deze persoon of zijn aangestelde moeten ook kenbaar gemaakt worden aan de toezichthoudende overheid (via het werkplan), voor de start van de aanleg van de TOP. 9. Om de stofbeheersingsmaatregelen ter hoogte van de werfzone LO te controleren, wordt in samenspraak met een MER-deskundige in de discipline lucht, deeldomein luchtverontreiniging, op een geschikte locatie een meetstation voor stof voorzien en een stofmeetactieplan opgesteld. Het stofmeetactieplan voorziet in een meetcampagne waarbij via stofstalen het gehalte opwaaiend stof, en de gehaltes aan PFAS in deze stalen, afkomstig van de werfzone LO gemeten wordt. In het werkplan wordt de locatie van dit meetstation aangeduid en het stofmeetactieplan ter hoogte van dit meetstation opgenomen. Voor de invulling van deze bijzondere voorwaarde kan gebruik gemaakt worden van stofmeetcampagnes die door derden worden opgezet”. – Veiligheidsberm 13. De deputatie verleent op 1 augustus 2019 aan BAM een omgevingsvergunning “voor stedenbouwkundige handelingen (met inbegrip van wijziging van vegetatie of KLE) horende bij een chemisch bedrijf”. De vergunning omvat onder meer na ontbossing van 6.057m² de aanleg van een grondberm op het terrein langs de zuidgrens van 3M te Zwijndrecht, met een gemiddelde hoogte van circa 6,5 meter, aan de voet een breedte van grotendeels 25 m en een klein gedeelte van maximum 33 m, een lengte van ca. 1,3 km. VII-41.264-20/58 Het Agentschap Natuur en Bos stelt vast dat de uitgegraven grond die in de berm wordt gestockeerd een met organische parameters verontreinigde bodem (PFOS) is welke voldoet aan de voorwaarden voor hergebruik binnen de kadastrale werkzone, dat de kern van het grondlichaam ingekapseld wordt met een folie om uitloging en verspreiding van de verontreiniging te voorkomen, dat om scheuren in de folie te voorkomen, op geregelde afstand een verluchtingspijp wordt voorzien om gassen - die bij oxidatie van het in de grond aanwezige organisch materiaal vrijkomen - te laten ontsnappen, en dat de folie wordt afgedekt met een leeflaag. – Lopende vergunningsaanvragen 14. Op 25 oktober 2021 hebben BAM en RINK vergunningsaanvragen ingediend voor het bijstellen van de vergunningsvoorwaarden “van de relevante milieu- en omgevingsvergunningen”, zijnde de milieuvergunning LO, de omgevingsvergunning Oosterweelverbinding en de omgevingsvergunning RINK 2.0. De aanvragen strekken ertoe de aanbevelingen van het rapport van de Expertencommissie Vrancken door te vertalen in de vergunning “zodat deze tijdens de uitvoering van de vergunningen handhaafbaar worden”. Gebruik van bodemmaterialen 15. Het bodemdecreet onderscheidt voor wat betreft de bodemsanering, bodemsaneringsnormen en richtwaarden. Het luik bodembescherming van het bodemdecreet voorziet de streefwaarden als doelstelling van het bodembeschermingsbeleid. Streefwaarden weerspiegelen het niveau dat als normale achtergrond in niet-verontreinigde bodems met vergelijkbare bodemkenmerken wordt teruggevonden. De getalsmatige invulling van de streef- en richtwaarden en van de bodemsaneringswaarden is opgenomen in VII-41.264-21/58 de bijlagen van het VLAREBO 2008. Deze waarden hebben een humaan- en ecotoxicologische onderbouwing. PFAS, waaronder PFOS en PFOA, zijn niet opgenomen in de bijlagen IV (Bodemsaneringsnormen), V (Waarden voor vrij gebruik van bodemmaterialen), VI (Waarden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product), en VII (Uitloogbaarheidswaarden voor het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product). Wanneer een bepaalde stof niet opgenomen is in VLAREBO, moet de bodemsaneringsdeskundige specifieke toetsingswaarden afleiden ter bescherming van de gezondheid van de mens en indien relevant, ook ecotoxicologische toetsingswaarden voorstellen. De OVAM stelde in haar rapport “Basisinformatie voor risico-evaluaties: werkwijze voor het opstellen van bodemsaneringsnormen en toetsingswaarden, richtwaarden en streefwaarden” van 1 oktober 2016, dat haar rapport als leidraad kan gebruikt worden bij het opstellen van toetsingswaarden. 16. In de “nota toelichting toetsingskader PFC-verontreiniging t.h.v. de Infrastructuurwerken Linkeroever en Scheldetunnel te Antwerpen” van 21 februari 2018 (de zgn. ROTS-nota), werden “site-specifieke toetsingsnormen PFC-verontreiniging t.h.v. de Infrastructuurwerken Linkeroever en Scheldetunnel” afgeleid op basis van het onderzoek uitgevoerd naar PFC’s in het OVAM-dossier, met name het beschrijvend bodemonderzoek van 30 juni 2006, waarbij PFOS als “gidsparameter” werd gebruikt: – gronden met concentraties boven 8 μg/kg ds kunnen niet vrij als bodem worden toegepast; – de waarde van 70 μg/kg ds wordt als maximale hergebruikswaarde voor bouwkundig bodemgebruik weerhouden; VII-41.264-22/58 – gebruik als bodem van gronden met concentraties boven 8μg/kg ds is buiten de kadastrale werkzone enkel mogelijk mits voldaan wordt aan de acceptatiecriteria voor het ontvangend criteria; – gebruik van gronden met concentraties boven 8μg/kg ds kan binnen de daartoe afgebakende kadastrale werkzone mits bijkomende voorwaarden. Hieruit leidt de ROTS-nota voor dit specifieke infrastructuurproject volgende principes af: – PFOS houdende gronden (> 70 μg/kg
  2. ds)enkel aan te wenden in zones waar momenteel reeds verhoogde concentraties aan PFOS worden vastgesteld, inclusief bijkomende afdek, – PFOS houdende gronden (> 8 μg/kg ds en 17. Ter aanvulling van voormelde basisinformatie voor risico-evaluaties, bepaalt de OVAM in haar rapport van 5 maart 2021 “toetsingswaarden voor PFOS en PFOA in bodem en grondwater”, als “voorlopige waarden omdat het wetenschappelijk onderzoek over perfluorverbindingen nog volop in evolutie is”. De OVAM bepaalt de “richtwaarde – waarde vrij gebruik van bodem” op 3,0 μg/kg ds voor PFOS en 3,0 μg/kg ds voor PFOA. 18. In haar finaal rapport van 14 juli 2021 geeft de Expertencommissie Grondverzet een aantal aanbevelingen die als volgt worden samengevat: “De expertencommissie ziet als gevolg van de werken aan de Oosterweelverbinding in de zones Linkeroever en Scheldetunnel drie mogelijke bronnen van risico: opwaaiend stof, verspreiding van bodemverontreiniging en aanrijking van het grond- en oppervlaktewater. Stof VII-41.264-23/58 Het opwaaiend stof vormt voor de omwonenden het meest directe risico. De commissie stelt vast dat Lantis goede praktijkvoorschriften hanteert en de beste beschikbare technieken hanteert om verstuiving van de grond te voorkomen. Transport van met PFAS aangerijkte grond vanop de werf doorheen de omliggende woonkernen moet (in lijn met de huidige praktijk) worden vermeden. De commissie adviseert dat Lantis voor de leeflaag van gronden in de nabijheid van bewoning en recreatieterreinen steeds zuivere grond gebruikt. Dit om het risico op verwaaiing van aangerijkte grond naar de terreinen die grenzen aan de kadastrale werkzone te vermijden. De metingen van opwaaiend stof en neervallend stof moeten opvolging mogelijk maken van het risico op aanrijking van de bodem van aangrenzende terreinen. Gezien de beperkte metingen die op vandaag beschikbaar zijn adviseert de commissie om een doordachte en onderbouwde meetcampagne te voorzien waarbij zowel het gehalte opwaaiend stof alsook de gehaltes aan PFAS in deze stalen worden gemeten. Bodem/Grondverzet De commissie bevestigt het gebruik van 3μg/kg ds als toetsingswaarde voor vrij gebruik binnen de kadastrale werkzone (KWZ), gezien deze in lijn is met de door EFSA voorgestelde risicogrens en er in de KWZ geen woon- en landbouwactiviteiten plaatsvinden. Voor het gebruik van uitgegraven bodem met concentraties tussen 3 en 70μg/kg ds adviseert de commissie een risicogebaseerde aanpak die rekening houdt met de kwaliteit van de aanwezige bodem: - Het is op basis van de huidige informatie en binnen het bestek van de opdracht van de commissie op dit moment moeilijk uit te maken wat de kwaliteit is van de aanwezige bodem op de locaties waar gronden met een kwaliteit tussen de 3 en 70 μg/kg ds vrij (zullen) worden gebruikt als bouwkundig gebruik. - Gezien de toetsingswaarde van 70μg/kg ds werd afgeleid uit een verouderd grondwatercriterium, is de commissie van oordeel dat bij de toepassing van gronden in bouwkundig bodemgebruik voor een niveau > 3 μg/kg ds voor de som van de PFAS (als PFOS) er mogelijk risico’s zijn op verspreiding naar grondwater die verder aandacht verdienen. In de huidige praktijk wordt de KWZ als een homogene zone beschouwd waarbinnen verplaatsing van grond niet voor een bijkomend risico zorgt. Hierin kan echter een meer gedetailleerde zoneringsaanpak gevolgd worden. - Concreet adviseert de commissie om rekening te houden met de kwaliteit van de aanwezige bodem en aan te tonen dat er geen bijkomend risico voor het grondwater ontstaat door vrij gebruik als bouwkundig bodemgebruik, binnen de toepassingszone van de grond. Hiertoe wordt best een aangepaste methodiek ontwikkeld die de kwaliteit van de aanwezige bodem in rekening brengt, in samenspraak met de bodembeheerorganisatie, eventueel onderbouwd door bijkomende uitloogtesten. - Om een inschatting te maken van het mogelijke risico dat kan worden gegenereerd door toepassing van grond met concentratie van 70μg/kg in VII-41.264-24/58 niet-afgedekte condities, werd een berekening uitgevoerd met het S-Risk blootstellingsmodel. Hierin wordt de bijkomende inname berekend als gevolg van gebruik van bodem in zones voor dagrecreatie en industrie. De resultaten tonen aan dat de bijkomende blootstelling als erg beperkt kan beoordeeld worden ten opzichte van de dagelijkse achtergronddosis. De berekening toont dan ook aan dat de in de praktijk gehanteerde waarde van 70 μg/kg ds waarboven afschermingsmaatregelen worden genomen voldoende beperking van het extra risico inhoudt. Voor de fractie met concentraties boven de 70μg/kg ds geeft de commissie volgende aanbevelingen: - De commissie ondersteunt de maatregelen die Lantis voorziet bij het gebruik van deze fractie, zijnde afdek en monitoring van grondwaterkwaliteit. De geplande praktijk past binnen de aanbevolen risicogebaseerde aanpak. - Deze fractie mag niet worden aangewend als leeflaag. Waar dit reeds gebeurde moet deze leeflaag worden verwijderd of afgedekt worden en afgewerkt met een leeflaag van goede kwaliteit om zo mogelijke verspreiding van de verontreiniging maximaal te beperken. Indien de laag niet wordt afgegraven, moet de kwaliteit van het afspoelingswater langdurig gemonitord worden. - De vorming van nieuwe grondwaterfluxen vermijden door het uitgravingsprofiel van de Palingbeek aan te passen op een zodanige wijze dat de afwatering gegarandeerd blijft en de ecologische meerwaarde deels behouden blijft. - Volledig gebruik in 3M-berm: Volgens eerste simulaties van een aangepast profiel van de Palingbeek zou het uitgegraven volume beperkt kunnen worden met 60.000m³. Daardoor kan ook de uitgegraven bodem fractie >70μg/kg ds die voorzien was te gebruiken in de Westberm bijkomend gebruikt worden voor de aanleg van de 3M berm. De beperking van het uitgegraven volume zorgt dus voor minder grondverzet en maakt het mogelijk dat alle grond >70μg/kg ds kan gebruikt worden in de 3M Berm. Dit verdient de voorkeur aangezien de aanwezige bodem ter hoogte van de Westberm een betere kwaliteit heeft (aanvoer >70μg/kg ds te vermijden) dan de aanwezige bodem op de terreinen van 3M. - Bijkomende bevestiging door geotechnische experten van de levensduur van de voorgestelde 3-lagige afdichting. Grond- en oppervlaktewater Gezien de mogelijke risico’s als gevolg van het grondverzet adviseert de commissie om een langdurig en aangepast monitoringplan voor grondwater en oppervlaktewater uit te werken om het effect van de werken op lange termijn op te volgen in de zones waar vrij gebruik als bouwkundig bodemgebruik wordt toegestaan. Juridische aspecten Binnen de Oosterweelwerken gebeurt hergebruik van uitgegraven bodem als bodem of bouwkundige toepassing, zoals omschreven in hoofdstuk XIII van het Bodemdecreet en hoofdstuk XIII VLAREBO. Binnen dit kader heeft de uitgegraven bodem niet het statuur afvalstof (einde afvalfase). VII-41.264-25/58 Op basis van juridische analyse kan bovendien gesteld worden dat de aanleg van een veiligheidsberm met door PFOS verontreinigde grond geenszins een inbreuk betekent op artikel 7, lid 4, b), i)-
  3. iv)juncto Bijlage V, deel 2 van de POP-Verordening. Communicatie De commissie stelt in haar advies een bijkomende doorgedreven monitoring voor van zowel de stofgehalten in de lucht als de grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit binnen de kadastrale werkzone. Hierover wordt best een actieve communicatie opgezet naar de omwonenden zodat zij inzage krijgen in het waarom en hoe en zodat zij de resultaten mee kunnen opvolgen. De commissie beveelt een actieve betrokkenheid van de omwonenden aan bij de meetstrategie, via een voor de bewoners representatieve organisatie evenals het voorzien van een signaalfunctie of meldpunt voor omwonenden. Gegeven de huidige context heerst er heel wat ongerustheid bij de omwonenden. Er is nood aan nog meer transparante en open communicatie. Deze communicatie biedt ook aan Lantis een kans om helder te duiden welke de mogelijke effecten zijn van de Oosterweelwerken en welke inspanningen Lantis doet om deze effecten maximaal te beperken”. 19. Bij nota van 2 december 2021 ‘(ROTS-nota 2) stelt ROTS in een “aanvullende toelichting gebruiksvoorwaarden in het kader van Technische Verslagen Scheldetunnel en Infrastructuurwerken Linkeroever”: “Rekening houdend met: a. De aanwezigheid van PFAS-verbindingen aanwezig in de bodem binnen de projectgebieden ‘Infrastructuurwerken Linkeroever’ en ‘Scheldetunnel’; b. De Richtlijn PFAS-onderzoek van de OVAM van maart 2021 waarin, in afwachting van een definitief normeringskader als richtinggevende toetsingswaarde bouwkundig bodemgebruik voor PFOS 70 μg/kg ds kan worden aanvaard, met de pragmatische aanpak dat de richtinggevende toetsingswaarde van 70 μg/kg ds eveneens gehanteerd kan worden voor de som van de PFAS-verbindingen; c. De bijkomend opgelegde voorwaarden dewelke zijn omschreven in de Technische Verslagen OWL1-SBS-RTS-RAP-0001 en OWVA-SBS-BAM-RAP-0027; d. De verklaring van de OVAM in de Parlementaire Onderzoekscommissie op 01/10/2021 dat de waarde van 70 μg/kg ds zich op een min of meer zelfde manier verhoudt t.o.v. de door het VITO voorgestelde bodemsaneringsnormen (OVAM rapport ‘Toetsingswaarden voor PFOS en PFOA in bodem en grondwater, maart 2021’) als dat de norm voor bouwkundig bodemgebruik zich verhoudt t.o.v. geldende bodemsaneringsnormen bij andere polluenten (bijv. zware metalen). e. De door Expertencommissie Grondverzet geformuleerde aanbevelingen van 14/07/2021, waarbij de waarde van 70μg/kg ds als richtinggevende VII-41.264-26/58 toetsingswaarde bouwkundig bodemgebruik, die weliswaar is afgeleid op basis van een, anno 2021, verouderd grondwatercriterium, op deze werf wordt bevestigd binnen de ontwikkelde aanpak op de Oosterweel-werf (risicobeheersing, grondwatermonitoring, …). f. De recente differentiatie in de KWZ, waarbij het standstill principe en de voorwaarde dat de grondverzetwerken geen bijkomende (grondwater)verontreiniging mogen veroorzaken per gedifferentieerde zone, worden bekeken als een gedifferentieerd ‘systeem’. Binnen elk ‘systeem’ manifesteert de PFAS-verontreiniging in de vaste fase zich heden (voor de werken) als verspreide en eerder homogene oppervlakkige verontreiniging die door regenwaterpercolatie via eventuele uitloging de onderliggende grondwaterpakketten eerder diffuus kan aanrijken. Door de aanwending van de gronden met concentraties >70μg/kg onder 3-lagige afdek (geen infiltratie en percolatie), wordt de overeenkomstige vuilvracht in elke gedifferentieerde zone (=’systeem’) van de KWZ van de massabalans gehaald en daalt het intrinsieke uitloogpotentieel in het ‘systeem’. Binnen elke gedifferentieerde zone worden enkel gronden opnieuw gebruikt van een gelijkaardige kwaliteit (incl. gelijkaardig uitloogpotentieel). De gronden worden in bepaalde zones wel gestapeld in een bouwkundig werk maar de globale PFAS-flux over het gehele ‘systeem’ zal kleiner zijn dan voor de werkzaamheden. g. Het feit dat: i. In een bouwkundig werk de regenwaterinfiltratie (mm/m2/jaar) kleiner is dan in de zones buiten het bouwkundig werk (meer oppervlakkige afspoeling, verdichte toplaag). ii. Uitloging van PFAS in een gestapeld werk geen aanleiding geeft tot een hogere vuilvracht t.o.v. dezelfde partij in niet gestapelde omstandigheden. iii. Het grondwater langdurig gemonitord wordt via het netwerk van peilputten rond het bouwkundig werk. Zal de globale flux in een ‘systeem’ (=gedifferentieerde zone van de KWZ) vanuit de bodem naar het grondwater na de werken kleiner of gelijk zijn dan de globale flux in het ‘systeem’ vóór de werken. Bijgevolg, kan gesteld worden dat de aanpak met de gedifferentieerde zones en bodembeheer op basis van de site-specifieke afgeleide toetsingswaarden conform het standstill principe is”. VII-41.264-27/58 Technische Verslagen – Conformverklaringen 20. In de Conformverklaring Technisch Verslag van 25 juni 2019 voor de werf “Grondhopen en taluds bedrijventerrein 3M” stelt de Grondbank onder meer: “De partijen 429 en 929 bevatten PFC-concentraties >70 μg/kg ds. De partijen 429 en 929 thv de hopen uit zone 3 en zone 5 bevatten concentraties PFC >1000 μg/kg ds De gronden uit zone 1 - 5 kunnen binnen de kadastrale werkzone (KWZ101) als bodem hergebruikt worden. Deze betreft het zuidelijke deel van het terrein van 3M waarin de beveiligingsberm gerealiseerd zal worden. Specifieke voorwaarden: de gronden kunnen als bouwkundig bodemgebruik worden hergebruikt binnen KWZ 101, mits gebruik boven grondwaterniveau en afdek (zie p. 24 van het TV voor gedetailleerde omschrijving). Er werd een verhoogd gehalte aan stenen, steenachtige materialen en/of bodemvreemde materialen vastgesteld in de hopen (zone 3 - 5). Afhankelijk van het gebruik van de uitgegraven bodem als bodem (binnen of buiten de kadastrale werkzone) of als bouwkundig bodemgebruik/vormvast product zal afzeving al dan niet vereist zijn”. De geldigheid van deze Conformverklaring verstreek op 23 mei 2021. 21. Het Technisch Verslag voor de Infrastructuurwerken Linkeroever 2019 hanteert met akkoord van de OVAM, het toetsingskader van de ROTS-nota. In de Conformverklaring Technisch Verslag van 19 december 2019 voor de werf “Infrastructuurwerken Linkeroever – Oosterweel” stelt de Grondbank onder meer: “2. KWZ 2.1 Afbakening KWZ Er worden 2 kadastrale werkzones (KWZ) afgebakend: – KWZ 101 omvat zones 201, 204, 205, 206, 207, 208, 209, 210, 212, 213, 214, 216, 217, 218 en 219 waar verhoogde concentraties aan PFC’s aangetroffen werden. De partijen afkomstig van deze zones kunnen enkel VII-41.264-28/58 binnen KWZ 101 worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen (zie punt 3). – KWZ 1 omvat de zones 202, 203, 211 en 215. De partijen afkomstig van deze zones kunnen ook binnen KWZ 101 worden hergebruikt. … 3. PFC-houdende gronden In zones 201, 204, 205, 206, 207, 208, 209, 210, 212, 213, 214, 216, 217, 218 en 219 worden PFC-verontreinigde gronden aangetroffen. – Deze partijen worden in de opmetingstabel met een '!' aangeduid. - Voor gebruik van deze partijen zal een afzonderlijk bodembeheerrapport worden opgemaakt. – Partijen met code xy1! bevatten PFC-concentraties tussen 8 en 70 μg/kg. Partijen met code xy9! bevatten PFC-concentraties >70 μg/kg. Voor hergebruik van deze partijen binnen de werf geldt: – xy1!-partijen kunnen vrij hergebruikt worden binnen KWZ 101. – xy9!-partijen die momenteel als teelaarde gebruikt wordt kan als teelaarde tot max 50 cm worden hergebruikt binnen KWZ 101. – xy9!-partijen kunnen als bouwkundig bodemgebruik worden hergebruikt binnen KWZ 101, mits gebruik boven grondwaterniveau (cfr. e-mail EBD dd. 12/6/2018) en afdek. Zie pg 66 van het TV voor de specifieke voorwaarden. – Bij voorbereidende sleufwerken kan PFC-houdende grond van ter plaatse hergebruikt worden voor sleufaanvulling mits respecteren van de gelaagdheid. …”. Deze conformverklaring was geldig tot 11 december 2021. 22. Het Technisch Verslag “Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever 2000 Antwerpen” hanteert met akkoord van de OVAM, het toetsingskader van de ROTS-nota. In de Conformverklaring Technisch Verslag van 26 november 2020 voor de werf “Oosterweel Scheldetunnel” stelt de Grondbank onder meer: “4. KWZ 4.1 Afbakening KWZ Er worden 4 kadastrale werkzones (KWZ) afgebakend. – KWZ 101 omvat zones 301, 302, 303, 304, 305, 315, 316(a en b), 317, 319, 321 en 322 waar verhoogde concentraties aan PFC’s aangetroffen werden. De partijen met verhoogde concentraties aan PFC’s (aangeduid met '!') afkomstig van deze zones kunnen enkel binnen KWZ 101 worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen (zie punt 3). De niet VII-41.264-29/58 PFC-houdende partijen afkomstig van deze zones kunnen worden hergebruikt binnen KWZ 1 en KWZ 101. – KWZ 1 omvat de zones 306, 307, 309, 310, 311, 312, 313, 314A, 314B, 318, 320 en 324. De partijen afkomstig van deze zones kunnen binnen KWZ 1 en KWZ 101 worden hergebruikt. – KWZ 301 omvat zone 308. De partij 020 kan worden hergebruikt binnen KWZ 301. – KWZ 401 omvat zone 323. De partij 020! kan worden hergebruikt binnen KWZ 401. … 5. PFC-houdende gronden In zones 301, 302, 303, 304, 305, 315, 316, 317, 319, 321 en 322 worden PFC-verontreinigde gronden aangetroffen. – Deze partijen worden in de opmetingstabel met een '!' aangeduid. - Voor gebruik van deze partijen zal een afzonderlijk bodembeheerrapport worden opgemaakt. – Partijen met code xy1! bevatten PFC-concentraties tussen 8 en 70 μg/kg. Partijen met code xy9! bevatten PFC-concentraties >70 μg/kg. Voor hergebruik van deze partijen binnen de werf geldt: – xy1!-partijen kunnen vrij hergebruikt worden binnen KWZ 101. – xy9!-partijen die momenteel als teelaarde gebruikt wordt kan als teelaarde tot max 50 cm worden hergebruikt binnen KWZ 101. – xy9!-partijen kunnen als bouwkundig bodemgebruik worden hergebruikt binnen KWZ 101, mits gebruik boven grondwaterniveau (cfr. e-mail EBD dd. 12/6/2018) en afdek. Zie p. 45 van het TV voor de specifieke voorwaarden. – Bij voorbereidende sleufwerken kan PFC-houdende grond ter plaatse hergebruikt worden voor sleufaanvulling mits het respecteren van de gelaagdheid. – De gronden met code 999! en 991! mogen na een gunstige reiniging enkel hergebruikt worden als bouwkundig bodemgebruik gezien voor deze gronden eveneens verhoogde concentraties aan PFC’s werden vastgesteld. Voor de aanpak van de ontgraving van de PFC-houdende gronden dient een eBSD geraadpleegd te worden”. Deze conformverklaring geldt tot 1 september 2022. 23. Het, naderhand geactualiseerde, Technisch Verslag “Infrastructuurwerken Linkeroever 2050 Antwerpen” wordt met de eerste bestreden beslissing op 3 december 2021 conform verklaard door de Grondbank die vaststelt dat het document rekening houdt met de richtlijn PFAS-onderzoek van 5 maart 2021 van de OVAM, de aanbevelingen van de Expertencommissie Grondverzet en ROTS-nota 2, en: VII-41.264-30/58 “…Omwille van de concentraties PFAS in het grondwater zal voor de bemalingen mogelijk nog overleg met de OVAM en VMM nodig zijn om de aanpak van de bemalingen in de specifieke zones vast te leggen. Een grondwaterbemaling kan een invloed hebben op de aanwezige verontreiniging. Daarom moet in overleg met de erkende bodemsaneringsdeskundige worden nagegaan of er voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen. 2. Begeleiding Het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen moet integraal worden opgevolgd door een erkende bodemsaneringsdeskundige. Deze ziet toe op de correcte toepassing van de bepalingen met betrekking tot het gebruik binnen de kadastrale werkzone. […] 3. Kadastrale werkzone (KWZ) 3.1 Afbakening KWZ Er worden 2 kadastrale werkzones afgebakend: – KWZ 101 omvat alle zones binnen het Oosterweelproject waar concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden, inclusief de zone voor de bouw van de beveiligingsberm op het terrein van 3M. Binnen huidig technisch verslag gaat het over de zones 201a, 201b, 201c, 202, 203, 204, 205, 206a, 206b, 207a, 207b, 207c, 208, 209a, 209b, 210, 211, 213, 214, 215b, 215c, 216, 217, 218, 219, 220, 221, 319a, 401, 402, 403, 404 en 405. De partijen met verhoogde concentraties aan PFAS (aangeduid met '!', '!!' en '!!!') afkomstig uit deze zones kunnen enkel binnen KWZ 101 worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen (zie punt 4 voor bijkomende toelichting). De partijen met concentraties PFAS kleiner dan of gelijk aan de toetsingswaarde Vrij Gebruik afkomstig van deze zones (oa diepere lagen) kunnen worden hergebruikt binnen KWZ 1 en KWZ 101. – KWZ 1 omvat de zones binnen het Oosterweelproject waar geen concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden. Binnen huidig technisch verslag gaat het over de zones 215a en 318. De partijen afkomstig van deze zones kunnen binnen KWZ 1 en KWZ 101 worden hergebruikt. … 4. PFAS-houdende gronden In zones 201a, 201b, 201c, 202, 203, 204, 205, 206a, 206b, 207a, 207b, 207c, 208, 209a, 209b, 210, 211, 213, 214, 215b, 215c, 216, 217, 218, 219, 220, 221, 319a, 401, 402, 403, 404, 405 en zone beveiligingsberm 3M worden concentraties PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen. Deze partijen worden in de opmetingstabel met een '!' , '!!' en '!!!' aangeduid in de partijen (het eerste cijfer in de driedelige codes hieronder slaat enkel op de PFAS-concentratie, andere codes zijn mogelijk als gevolg van andere parameters): – Partijen met code 421! bevatten concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of som PFAS groter dan 8 μg/kg ds. Concentraties PFOS zijn VII-41.264-31/58 kleiner dan of gelijk aan 14,4 μg/kg ds en de som PFAS-concentraties zijn kleiner dan of gelijk aan 70 μg/kg ds. – Partijen met code 521!! bevatten concentraties PFOS groter dan 14,4 en kleiner dan of gelijk aan 18 μg/kg ds en som PFAS-concentraties kleiner dan of gelijk aan 70 μg/kg ds. – Partijen met code 921!! bevatten concentraties PFOS groter dan 18 μg/kg ds en som PFAS-concentraties kleiner dan of gelijk aan 70 μg/kg ds. – Partijen met code 929!!! bevatten som PFAS-concentraties groter dan 70 μg/kg. Voor hergebruik van deze partijen binnen de werf gelden, zowel voor hergebruik als bodem als voor bouwkundig bodemgebruik, de volgende voorwaarden (zowel horizontaal als verticaal begrensd): – Bij voorbereidende sleufwerken kunnen PFAS-houdende gronden (> 3 μg/kg ds PFOS/PFOA en 8 μg/kg ds PFAS) ter plaatse hergebruikt worden voor sleufaanvullingen mits respecteren van de gelaagdheid. De uitgraving en het hergebruik van deze partij dient te gebeuren conform de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’. Voor dit gebruik is geen bodembeheerrapport vereist. Conform deze principes geldt dit ook zo voor de PFAS-houdende gronden met concentraties > 70 μg/kg ds. – x21!-partijen kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met '!' en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met '!!' en '!!!'). – x21!!-partijen kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met '!!' en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met '!!!'). – x29!!!-partijen kunnen enkel hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met '!!!' mits gebruik boven grondwaterniveau (cfr. e-mail EBD dd. 12/6/2018) en onder afdek (zie p. 59 van het technisch verslag voor de specifieke voorwaarden). Grondbank wijst op de aanbeveling van de Expertencommissie Grondverzet om deze partijen maximaal toe te passen in de beveiligingsberm op het terrein van 3M. Opgelet: – In de toplaag mogen enkel partijen met concentraties kleiner of gelijk aan 70 μg/kg ds PFAS worden toegepast (behalve bij voorbereidende sleufwerken cfr principes de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’). – Er mogen geen gronden met concentraties aan PFAS hoger dan 1000 μg/kg ds binnen de KWZ 101 gebruikt worden. Binnen dit deel van de Oosterweelwerken werden concentraties hoger dan 1000 μg/kg ds vastgesteld thv de Palingbeek (slibfractie met code 999). Deze gronden dienen afgevoerd te worden naar een erkend verwerker. – Thv de woonzones (locaties weergegeven op het zoneringsplan) mogen enkel niet verontreinigde gronden worden toegepast. M.a.w. dienen in deze zones partijen met code 211 of terreineigen gronden met natuurlijke aanrijking met code 4y1* te worden gebruikt (of externe partijen 3y1 of 4y1 met van nature verhoogde concentraties obv een vereenvoudigde studie van de ontvangende grond). VII-41.264-32/58 – Voor partijen met concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of PFAS groter dan 8 μg/kg ds is gebruik buiten de KWZ niet mogelijk. Voor gebruik van de PFAS-houdende partijen zal een afzonderlijk bodembeheerrapport worden opgemaakt”. De conformverklaring “vervangt de voorgaande integraal” en geldt tot 22 november 2023. 24. Het Technisch Verslag “Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever 2000 Antwerpen” stelt dat op basis van “voortschrijdend inzicht, de meest recente PFAS-richtlijn van de OVAM van 5/03/2021 en de geformuleerde adviezen van de Expertencommissie Grondverzet […] het PFAS-toetsingskader en hergebruikskader van toepassing binnen dit Technisch Verslag [wordt] bijgesteld en verder geconcretiseerd” waarbij de ROTS-nota “de vertrekbasis van het toetsingskader” vormt. Met de tweede bestreden beslissing, die de conformverklaring van 19 november 2021 vervangt naar aanleiding van een rechtzetting en de ROTS-nota 2, verklaart de Grondbank dit naderhand geactualiseerde Technisch Verslag voor de werf “Oosterweelverbinding Scheldetunnel te 2000 Antwerpen” conform: “… Omwille van de concentraties PFAS in het grondwater zal voor de bemalingen mogelijk nog overleg met de OVAM en VMM nodig zijn om de aanpak van de bemalingen in de specifieke zones vast te leggen. Een grondwaterbemaling kan een invloed hebben op de aanwezige verontreiniging. Daarom moet in overleg met de erkende bodemsaneringsdeskundige worden nagegaan of er voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen. 2. Begeleiding Het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen moet integraal worden opgevolgd door een erkende bodemsaneringsdeskundige. Deze ziet toe op de correcte toepassing van de bepalingen met betrekking tot het gebruik binnen de kadastrale werkzone. … 4. Kadastrale werkzone (KWZ) 4.1 Afbakening KWZ Er worden 4 kadastrale werkzones (KWZ) afgebakend. VII-41.264-33/58 – KWZ 101 omvat alle zones binnen het Oosterweelproject waar concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden inclusief de zone voor de bouw van de beveiligingsberm op het terrein van 3M. Binnen huidig technisch verslag gaat het over de zones 301, 302a, 302b, 303, 304, 305, 306, 307, 315, 316, 317, 319a, 319b, 321, 322, 324, 325, 326, 327, 328, 329 en 330. De partijen met verhoogde concentraties aan PFAS (aangeduid met '!', '!!' en '!!!') afkomstig uit deze zones kunnen enkel binnen KWZ 101 worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen (zie punt 5 voor bijkomende toelichting). De partijen met concentraties PFAS kleiner dan of gelijk aan de toetsingswaarde Vrij Gebruik afkomstig van deze zones (oa diepere lagen) kunnen worden hergebruikt binnen KWZ 1 en KWZ 101. – KWZ 1 omvat de zones binnen het Oosterweelproject waar geen concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden. Binnen huidig technisch verslag gaat het over de zones 309, 310, 311, 312, 313, 314a, 314b, 318 en 320. De partijen afkomstig van deze zones kunnen binnen KWZ 1 en KWZ 101 worden hergebruikt. – KWZ 301 omvat zone 308. De partij 020! afkomstig van zone 308 kan worden hergebruikt binnen KWZ 301. – KWZ 401 omvat zone 323 (knoop Sint-Anna). De partij 020!! afkomstig van zone 323 kan worden hergebruikt binnen KWZ 401. … 5. PFAS-houdende gronden In zones 301, 302a, 302b, 303, 304, 305, 306, 307, 315, 316, 317, 319a, 319b, 321, 322, 324, 325, 326, 327, 328, 329 en 330 worden concentraties PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen. Deze partijen worden in de opmetingstabel met een '!' , '!!' en '!!!' aangeduid in de partijen (het eerste cijfer in de driedelige codes hieronder slaat enkel op de PFAS-concentratie, andere codes zijn mogelijk als gevolg van andere parameters): – Partijen met code 421! bevatten concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of som PFAS groter dan 8 μg/kg ds. ConcentratiesP FOS zijn kleiner dan of gelijk aan 14,4 μg/kg ds en de som PFAS-concentraties zijn kleiner dan of gelijk aan 70 μg/kg ds. – Partijen met code 521!! bevatten concentraties PFOS groter dan 14,4 en kleiner dan of gelijk aan 18 μg/kg ds en som PFAS-concentraties kleiner dan of gelijk aan 70 μg/kg ds. – Partijen met code 921!! bevatten concentraties PFOS groter dan 18 μg/kg ds en som PFAS-concentraties kleiner dan of gelijk aan 70 μg/kg ds. – Partijen met code 929!!! bevatten som PFAS-concentraties groter dan 70 μg/kg. Voor hergebruik van deze partijen binnen de werf gelden, zowel voor hergebruik als bodem als voor bouwkundig bodemgebruik, de volgende voorwaarden (zowel horizontaal als verticaal begrensd): – Bij voorbereidende sleufwerken kunnen PFAS-houdende gronden (> 3 μg/kg ds PFOS/PFOA en 8 μg/kg ds PFAS) ter plaatse hergebruikt worden voor sleufaanvullingen mits respecteren van de gelaagdheid. De uitgraving VII-41.264-34/58 en het hergebruik van deze partij dient te gebeuren conform de code van goede praktijk voor 'gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse'. Voor dit gebruik is geen bodembeheerrapport vereist. Conform de principes geldt dit ook zo voor de PFAS-houdende gronden met concentraties > 70 μg/kg ds. – x21!-partijen kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met '!' en zones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met '!!' en '!!!'). – x21!!-partijen kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met '!!' en zones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met '!!!'). – x29!!!-partijen kunnen enkel hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met '!!!' mits gebruik boven grondwaterniveau (cfr. e-mail EBD dd. 12/6/2018) en onder afdek (zie p. 59 van het technisch verslag voor de specifieke voorwaarden). Grondbank wijst op de aanbeveling van de Expertencommissie Grondverzet om deze partijen maximaal toe te passen in de beveiligingsberm op het terrein van 3M. Opgelet: – In de toplaag mogen enkel partijen met concentraties kleiner of gelijk aan 70 μg/kg ds PFAS worden toegepast. (behalve bij voorbereidende sleufwerken cfr principes de code van goede praktijk voor 'gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse'). – Er mogen geen gronden met concentraties aan PFAS hoger dan 1000 μg/kg ds binnen de respectievelijke KWZ gebruikt worden. Deze gronden dienen afgevoerd te worden naar een erkend verwerker. – Voor partijen met concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of PFAS groter dan 8 μg/kg ds is gebruik buiten de KWZ niet mogelijk. Voor gebruik van de PFAS-houdende partijen zal een afzonderlijk bodembeheerrapport worden opgemaakt. …”. De conformverklaring “vervangt integraal de vorige versie” en geldt tot 17 november 2023. 25. Met de derde bestreden beslissing van 22 november 2021 geeft de Grondbank aan COTU een grondtransporttoelating voor afvoer buiten werf van binnen de kadastrale werkzone 101 van het Oosterweelproject – Infrastructuurwerken Linkeroever uitgegraven bodem (volume: 568 m³), afkomstig uit zone 302a en 304 met code 929!!!. De bestemming van de gronden is de “Beveiligingsberm Oosterweelproject – Linkeroever (terrein 3M)”. De toelating is gegeven onder een aantal voorwaarden: VII-41.264-35/58 “… Aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen van toepassing op bodem: Dit document betreft de aanleg van de kern van de beveiligingsberm op de terreinen van 3M met PFAS-houdende gronden gelegen binnen de kadastrale werkzone 101 van het Oosterweelproject – Infrastructuurwerken Linkeroever (conformverklaring met ref. 2015-16-210737). De gronden met PFAS-concentraties boven 70 μg/kg ds worden hermetisch ingepakt (folie minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2.5 mm dik). De opbouw bestaat voor de bovenafdichting uit volgende samenstelling (van boven naar onder): – Afdeklaag met dikte van 0,5 m (grasvegetatie) of 1,0 m (kleine bomen en struikaanplant) al naargelang de soort beplanting. Voor de afdeklaag wordt geen gebruik gemaakt van gronden met concentratie > 70 μg/kg ds PFAS – Geogrid : MIRAGRID – Drainagemat : SECUDRAIN 131 C WD 401 131 C : bij een last van 20 kPa en aangelegd onder een helling i=0,1 kan een afvoer van 2,5.10-1 l/m,s verwerkt worden – PE-folie CARBOFOL HDPE 410 2,5 BF/TF MT : deze folie bezit een (individuele) dikte 2,5 mm en heeft een levensduur 100 jaren. – Bentonietmat BENTOMAT AS (5kg) – 100 self : deze mat heeft een dikte van 7 mm bentoniet met een waterdoorlatendheid van 1.10-11 m/s De eBSD (mail Koen Valkeneers dd. 10/11/2021) verklaart dat deze alternatieve opbouw minstens gelijkwaardig is te beschouwen aan de eis gesteld in het technisch verslag. Er mogen geen gronden met concentraties aan PFAS hoger dan 1000 g/kg ds in de kern van de beveiligingsberm gebruikt worden. Deze gronden dienen afgevoerd te worden naar een erkend verwerker. Dit document heeft geen betrekking op de afdeklaag. … Specifieke voorwaarden: Deze grondtransporttoelating is van toepassing op de gronden afkomstig uit zone 302a en 304 met code 929!!!. De partijen worden toegepast binnen de kadastrale werkzone 101 van het Oosterweelproject voor de aanleg van de kern van de beveiligingsberm. … Omwille van de concentraties PFAS in het grondwater zal voor de bemalingen mogelijk nog overleg met de OVAM en VMM nodig zijn om de aanpak van de bemalingen in de specifieke zones vast te leggen. Een grondwaterbemaling kan een invloed hebben op de aanwezige verontreiniging. Daarom moet in overleg met de erkende bodemsaneringsdeskundige worden nagegaan of er voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen. …”. VII-41.264-36/58 De grondverzettoelating geldt van 22 november 2021 tot 19 mei 2022. 26. Er zijn 4 vrachtbonnen voor afvoer van uitgegraven bodem, gedateerd op 24 november 2021, voor een totaal volume van 522 m³. PFOS-bloedonderzoek 27. Op 26 oktober 2021 wordt het in opdracht van AZG uitgevoerde onderzoek van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) en het Provinciaal Instituut voor Hygiëne (PIH) PFAS-bevolkingsonderzoek bij omwonenden van de 3M-site in Zwijndrecht bekendgemaakt. In de publiekssamenvatting wordt onder meer het volgende gesteld: “… In juni 2021 ontstond grote ongerustheid bij de bevolking naar aanleiding van hoge waarden van PFOS en PFOA in bodem- en waterstalen uit Zwijndrecht. Als reactie adviseerde het Agentschap Zorg en Gezondheid (AZG) ‘no regret’-maatregelen. Dit zijn voorzorgsmaatregelen die bewoners zelf kunnen nemen om hun blootstelling aan perfluorverbindingen (PFAS) te verminderen. Om een antwoord te bieden op de ongerustheid van de bevolking en om de ‘no regret’-maatregelen te onderbouwen werd door AZG de opdracht gegeven om een bevolkingsonderzoek PFAS uit te voeren. … In de periode juli-augustus 2021 namen we een bloedstaal af bij 796 personen die wonen binnen 3 km rond de 3M-site in Zwijndrecht. In het serum onderzochten we 13 soorten PFAS. We vergeleken de resultaten uit het bevolkingsonderzoek met Vlaamse referentiewaarden en met gezondheidskundige richtwaarden. Op basis van de vragenlijstgegevens van de deelnemers onderzochten we verbanden tussen PFAS-gehaltes enerzijds en omgevings- en leefstijlfactoren anderzijds. Wat zijn de voornaamste conclusies van het onderzoek? De studie geeft ons een goed beeld van de lokale situatie. PFAS in serum werd gemeten bij 796 personen die wonen binnen een straal van 3 km rond de 3M-site in Zwijndrecht. De onderzoeksgroep is niet representatief voor de algemene bevolking van het onderzoeksgebied (zones in Zwijndrecht, Melsele en Linkeroever). Er deden meer oudere mensen en mensen uit een gezin met een diploma hoger onderwijs mee dan er gemiddeld in het gebied wonen. Toch zijn de resultaten valide omdat de groep groot is en omdat de factoren die we willen onderzoeken (bijv. VII-41.264-37/58 gebruik van lokale voeding) voldoende aan bod komen in de onderzochte groep. PFOS vormt een risico voor de gezondheid van de bewoners in de buurt van 3M. Bewoners uit de omgeving van de 3M-site hebben vooral PFOS, PFOA, PFHxS en PFNA in het lichaam. In vergelijking met de algemene Vlaamse bevolking vinden we in het lichaam van de bewoners uit de buurt van de 3M-site vooral hogere waarden voor PFOS en PFHxS. Dit zijn twee stoffen waarvan geweten is dat ze in het verleden door 3M werden geproduceerd. Omdat ze moeilijk afbreken in het leefmilieu kunnen mensen nog steeds aan deze stoffen worden blootgesteld. Voor PFOS heeft slechts 1 op 10 deelnemers een waarde waarbij geen gezondheidseffecten verwacht worden. Meer dan de helft van de deelnemers heeft een PFOS-gehalte dat vanuit gezondheidskundig standpunt te hoog ligt. Dit resultaat is op groepsniveau een belangrijk signaal dat er actie ondernomen moet worden om de blootstelling te beperken/stoppen. Het betekent echter niet dat er bij individuele deelnemers onmiddellijk gezondheidsschade zal optreden. Bewoners die dicht bij de industrie wonen hebben hogere PFAS-waarden in hun bloed. Er is een duidelijke geografische gradiënt ten opzichte van de fabriek van 3M: mensen die dichter bij de fabriek wonen of al langer in het onderzoeksgebied wonen, hebben hogere PFAS-gehaltes in het bloed. Deze resultaten suggereren dat er een verband is tussen de lichaamsblootstelling en de industrie. Lokaal geteelde voeding is een belangrijke blootstellingsroute voor PFAS. Deelnemers die lokaal geteelde voeding eten hebben hogere PFAS-waarden in hun bloed. We zien dit vooral voor eieren van eigen kippen en voor gebruik van grondwater. Voor groenten en fruit uit eigen tuin vinden we minder sterke verbanden. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat mensen die lokale groenten en fruit eten, vaak ook eigen kippen hebben. De resultaten van de eieren zijn zodanig sterk dat de impact van de andere lokale producten daardoor mogelijk gemaskeerd wordt. Het is belangrijk om dit in meer diepgaande analyses nog verder uit te spitten en de juiste beleidsadviezen hieraan te koppelen. Ook andere factoren beïnvloeden de blootstelling aan de verschillende PFAS. Opmerkelijk is dat we hogere PFOS-waarden vinden bij personen die via hun beroep, hobby of opleiding in contact komen met bodemdeeltjes; dit is een element dat in een verdere fase ook meer in detail onderzocht zal worden zodat hierover correcte adviezen geformuleerd kunnen worden. Het gebruik van smeermiddelen (bijvoorbeeld voor onderhoud van fietsketting of paardenzadel) werd eveneens geïdentificeerd als bron van blootstelling voor PFOA en PFNA. Een algemeen advies is om enkel smeermiddelen te gebruiken die geen teflon (PTFE) bevatten. Het is belangrijk om in de toekomst hierrond te sensibiliseren. Wat nu? VII-41.264-38/58 Beleidsmakers en onderzoekers kunnen nu aan de slag. De resultaten geven aan dat er maatregelen nodig zijn om de blootstelling bij de bevolking in de buurt van 3M te verminderen. In de eerste plaats moet de bron worden aangepakt. Hierin ligt vooral een rol voor de industrie. Verder is ook aanpak van de historische vervuiling in de omgeving een prioriteit. Tot dan is het belangrijkste dat de bevolking wordt geadviseerd hoe zij de blootstelling kan beperken. De ‘no regret’-maatregelen zijn hiervoor een goede tool; bijkomend sensibilisatiemateriaal is nuttig. Een uitgebreid humaan biomonitoringsonderzoek zou een grote meerwaarde zijn om meer in detail de link te leggen tussen milieucompartimenten (bronnen), de inwendige dosis van de chemische stoffen in het lichaam en de biologische effecten (gezondheidseffecten) van deze milieuvervuilende stoffen. Zowel in de verdere beleidsvertaling als in toekomstig onderzoek is het belangrijk om de lokale bevolking te betrekken via participatieve processen”. IV. Tussenkomst Standpunten van de partijen 28. BAM vraagt als bouwheer van de Infrastructuurwerken Linkeroever, de Oosterweelverbinding en de Veiligheidsberm toegelaten te worden om tussen te komen in het geding. Het grondverzet waarbinnen de eerste tot en met de derde bestreden beslissingen kaderen, is noodzakelijk in het kader van de realisatie van deze werken. 29. De eerste tot en met de vijfde tussenkomende partij, in eigen naam en als vennoot van de maatschap RINKONIEN stellen dat RINK als hoofdaannemer van de Infrastructuurwerken Linkeroever het rechtens vereiste belang heeft. RINK voert de grondverzetswerken uit in het kader van de Infrastructuurwerken Linkeroever en zal de meest verontreinigde PFOS-gronden verwerken in de Veiligheidsberm op de site van 3M. 30. Het Vlaamse Gewest stelt dat het het rechtens vereiste belang heeft om tussen te komen. De vordering van de verzoekende partijen, de VII-41.264-39/58 maatschappelijke relevantie en de mogelijke impact van de huidige procedure, “belangen de materies van volksgezondheid en leefmilieu aan”. Het Vlaamse Gewest “is verantwoordelijk voor het bewaken van het leefmilieu en de gezondheid op het Vlaams grondgebied”. 31. De verzoekende partijen betwisten niet het door BAM, RINK en Vlaamse Gewest aangevoerde belang om toegelaten te worden tussen te komen in de huidige procedure. Beoordeling 32. In de gegeven omstandigheden worden de onderscheiden verzoeken tot tussenkomst in de huidige procedure ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering A. De ‘overige bestreden beslissingen’ 33. Luidens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (RvS-wet) kan de afdeling bestuursrechtspraak de schorsing bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring krachtens artikel 14, § 1 en 3. 34. Uit de door de partijen voorgelegde stukken, in het bijzonder het administratief dossier van Grondbank, blijken geen “navolgende beslissingen die gebaseerd zijn op” de eerste, tweede en derde bestreden beslissingen. Bijgevolg dient in de huidige stand van de procedure aangenomen te worden dat de “overige bestreden beslissingen” onbestaande zijn. 35. De excepties van Grondbank, BAM, RINK en het Vlaamse Gewest zijn gegrond. VII-41.264-40/58 36. De vordering in zoverre gericht tegen de “overige bestreden beslissingen” wordt afgewezen. B. De eerste en tweede bestreden beslissing 37. De in artikel 186 VLAREBO 2008 bedoelde uitspraak van de erkende bodembeheersorganisatie over de conformiteit van het technisch verslag met de bepalingen van VLAREBO 2008, is overeenkomstig artikel 188 VLAREBO 2008 tegenstelbaar aan andere erkende bodembeheersorganisaties die daartegen administratief beroep kunnen instellen bij de OVAM, en laat overeenkomstig artikel 189 VLAREBO 2008 de uitvoerder van de werken toe de werken te starten mits melding van de startdatum aan een erkende bodembeheersorganisatie. Het feit dat artikel 190, § 1 VLAREBO 2008 bepaalt dat voordat de bodemmaterialen worden verplaatst, de uitvoerder van de werken een grondverzettoelating moet aanvragen bij de erkende bodembeheerorganisatie waaraan de startdatum van de werken is gemeld, doet de Raad van State niet aannemen dat de eerste en de tweede bestreden beslissing louter voorbereidende handelingen zijn die op zich geen enkel nadeel aan de verzoekende partijen toebrengen. De bestreden conformverklaringen zijn in dat geval, als voorbereidende handelingen, onmiddellijk grievende en aanvechtbare voorbeslissingen. 38. De excepties van de Grondbank, BAM en het Vlaamse Gewest worden verworpen. VII-41.264-41/58 C. Belang 39 De derde verzoekende partij heeft luidens artikel 3 van haar statuten “als algemene doelstelling de bescherming van de natuur en van het leefmilieu”, onder meer “door de individuele en collectieve belangen van haar sympathisanten te verdedigen in het kader van haar doelstellingen, zowel via het gerecht als door andere middelen”. Haar maatschappelijk doel is van bijzondere aard, en derhalve onderscheiden van het algemeen belang. 40. Het werkingsgebied van de derde verzoekende partij strekt zich volgens haar statuten uit over het grondgebied van België waar het grondverzet zich situeert die door de bestreden conformverklaringen worden beoogd. 41. Het maatschappelijk doel van de derde verzoekende partij kan worden geraakt door de bestreden conformverklaringen, die door BAM “de doorvertaling van de aanbevelingen van de Expertencommissie in de grondverzetswerken” en door RINK “het sluitstuk van deze aanbevelingen” worden genoemd. De Expertencommissie Grondverzet stelt immers in haar rapport van 14 juli 2021, dat een inzicht wil geven in de impact van de werken aan de Oosterweelverbinding op Linkeroever, dat er drie mogelijke bronnen van risico’s zijn op korte termijn tijdens de duur van de werken en op lange termijn, die aanleiding geven tot een aantal aanbevelingen: – stof: stofdeeltjes afkomstig van opwaaiend stof die via de mond en de neus het lichaam kunnen binnenkomen; – bodem/grondverzet: via grondverzet kan het verontreinigingspatroon van de bodem mogelijk wijzigen waardoor de bodem lokaal aangerijkt wordt aan PFAS en andere polluenten; VII-41.264-42/58 – grond- en oppervlaktewater: via infiltratie met regenwater kan het grondwater (verder) gecontamineerd worden. Door uitgraven van grote hoeveelheden grond tot op grote diepte (enkele meters), kan de drainerende werking versterkt worden en kan een bijkomende grondwaterstroming veroorzaakt worden, die voor verdere verspreiding van de verontreiniging kan zorgen. Verontreinigde partijen grond die aangebracht worden op zones met lagere verontreiniging kunnen door uitloging mogelijk zorgen voor een (bijkomende) verontreiniging van het grondwater. Doet aan deze vaststelling niet af het feit dat: – de derde verzoekende partij in de milieustakingsprocedure gevraagd heeft om, bij wijze van voorlopige maatregel, de naleving van de door haar opgesomde aanbevelingen van de Expertencommissie Grondverzet op te leggen aan BAM tot aan de uitspraak ten gronde over haar milieustakingsvordering, – de milieustakingsrechter die gevorderde voorlopige maatregel heeft afgewezen, – volgens BAM er geen sprake zou zijn van “bijkomende vervuiling door de Oosterweelwerken” of van “ernstige aanwijzingen van voldoende milieuhinder”. 42. Er blijkt niet dat dit maatschappelijk doel door de derde verzoekende partij niet of niet meer wordt nagestreefd. 43. De excepties van Grondbank, BAM, RINK en het Vlaamse Gewest die het belang van de derde verzoekende partij betwisten, worden verworpen. 44. In de huidige stand van de procedure volstaat de vaststelling dat de derde verzoekende partij het rechtens vereiste belang heeft bij de vordering. Er is in de huidige stand van de procedure dan ook geen aanleiding om het door Grondbank, BAM, RINK en het Vlaamse Gewest betwiste belang van de eerste en de tweede verzoekende partij te onderzoeken. VII-41.264-43/58 45. De derde verzoekende partij wordt hierna de verzoekende partij genoemd. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 46. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Onderzoek van het tweede middel Standpunten van de partijen 47. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 158, 163, 164, 168, 172, 180 en 186 VLAREBO 2008, het voorzorgsbeginsel, beginsel van preventief handelen en stadstillbeginsel in artikel 1.2.1, § 2 DABM en artikel 191 VWEU-verdrag, en het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Dit middel is gericht tegen de bestreden conformverklaringen. Zij stelt onder meer dat de Kadastrale Werkzone (hierna: KWZ) veel te ruim is vastgesteld en de bestreden conformverklaringen deze uitgestrektheid van de KWZ valideren. Een KWZ is per definitie projectgebonden en bestaat uit gronden met soortgelijke kenmerken. De KWZ 101 is zeer uitgestrekt en omvat ettelijke kilometers die zich uitstrekt van de terreinen van 3M in Zwijndrecht tot Antwerpen-Linkeroever en de Schelde. Deze VII-41.264-44/58 KWZ bevat echter niet “eenzelfde project” maar drie verschillende projecten aangezien het grondverzet volgens BAM kadert binnen de uitvoering van de Infrastructuurwerken Linkeroever die, nog steeds volgens BAM, geen deel uitmaken van het Oosterweelproject zelf. Toch blijkt uit de tweede bestreden beslissing dat gronden die uitgegraven worden voor de bouw van de Scheldetunnel (code 929!!!) worden afgevoerd naar KWZ 101, meer bepaald de Veiligheidsberm op de terreinen van 3M die initieel niet was voorzien in de vergunningen voor de infrastructuurwerken die werden verleend in 2017. De code van initieel in 2017 met code 929 aangeduide gronden werden naar code 429 en 421 aangepast en rond 2018 werd de KWZ 101 uitgebreid om helemaal tot op het terrein van 3M te gaan om de fameuze Veiligheidsberm te bouwen. In de dading tussen 3M en BAM werd in 2017-2018 overeengekomen om in de Veiligheidsberm de meest vervuilde gronden definitief te bergen. In de verantwoordingsnota voor de bouw van de Veiligheidsberm staat dat de Veiligheidsberm dient voor de fysieke beveiliging van het terrein van 3M dat veel waarde hecht aan de veiligheidsaspecten en bescherming van bedrijfsgegevens en bedrijfseigendommen. Deze reden en een minieme fractie aan werken ter hoogte van het 3M-terrein verantwoorden dat de KWZ plots wordt uitgebreid om thans alle meest vervuilde gronden van zowel de Infrastructuurwerken Linkeroever als de Oosterweelverbinding (uitgravingen Scheldetunnel) naar de Veiligheidsberm over te brengen. Er is evenwel manifest geen sprake van eenzelfde project zoals voorzien in de definitie van de KWZ. Het gaat integendeel om minstens drie verschillende projecten: (
  4. i)de beveiliging van 3M tegen inbraak, (
  5. ii)grondverzet van de Infrastructuurwerken LO die volgens BAM geen deel uitmaken van het Oosterweelproject, en (iii) grondverzet in het kader van de bouw van de Scheldetunnel. 48. Grondbank antwoordt dat de KWZ bij infrastructuurwerken ruimer kan worden geïnterpreteerd dan bij andere projecten en dat er voor gekozen wordt om een aparte KWZ af te bakenen voor de PFAS-houdende zone. VII-41.264-45/58 49. BAM antwoordt dat “project” inzake grondverzet moet onderscheiden worden van “project” dat het voorwerp is van afzonderlijke vergunningsaanvragen en dat het niet onlogisch is dat de KWZ 101 werd uitgebreid naar de terreinen van 3M met het oog op de berging van de meeste verontreinigde fracties in de 3M-veiligheidsberm. 50. RINK antwoordt dat de verzoekende partij een foutief begrip heeft van de KWZ dat in het rapport van de Expertencommissie Grondverzet wordt gehanteerd en dat zij ook een foutief begrip van VLAREBO voor de afbakening van de KWZ hanteert. RINK verwijst daarvoor naar de code van goede praktijk voor de afbakening van een KWZ. Zij stelt nog dat de verzoekende partij het begrip “project” en “projectzone” bij grondverzet verwart met het begrip “project” op vergunningsniveau. 51. Het Vlaamse Gewest sluit zich aan bij het verweer van Grondbank, BAM en RINK. Beoordeling 52. Artikel 158, 5° VLAREBO 2008 geeft een definitie van kadastrale werkzone: “de zone die vastgesteld is in het kader van eenzelfde project en die bestaat uit een geheel van gronden met soortgelijke kenmerken. Het betreft kenmerken die een betekenisvol effect op het milieu hebben of een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden”. Artikel 163 VLAREBO 2008 luidt: “Een kadastrale werkzone wordt afgebakend conform een code van goede praktijk die wordt ingevuld op basis van kenmerken die een betekenisvol effect hebben op het milieu, of die een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden. De code van goede praktijk voor de afbakening van een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister”. VII-41.264-46/58 53. Het begrip “project” wordt noch in het Bodemdecreet noch in VLAREBO 2008 gedefinieerd. 54. BAM maakt in haar verzoekschrift het onderscheid tussen de Infrastructuurwerken Linkeroever, het Oosterweelproject en de Veiligheidsberm. BAM benadrukt dat de geplande ingrepen bij de Infrastructuurwerken “geen deel uit[maken] van het Oosterweelproject zelf, dat ook een (afzonderlijk) onderdeel van het Masterplan 2020 is. De ingrepen op Linkeroever hebben hun eigen finaliteit en kunnen onafhankelijk van de Oosterweelverbinding gerealiseerd worden”. Het Oosterweelproject voorziet volgens BAM de realisatie van een derde Scheldekruising, namelijk de Oosterweelverbinding. De Infrastructuurwerken omvatten volgens BAM: “– de herinrichting van de knooppunten Antwerpen-West E17-E34 (verder “zuidelijke knoop” genoemd) en E34-N49a (verder “noordelijke knoop” genoemd); – het compacter maken van de E17/E34 ter hoogte van de Kennedytunnel en optimaliseren van de weefzones; – de aanleg van een lokale parallelweg aan de E17/E34 tussen op- en afrittencomplex Zwijndrecht op de E17 en op- en afrittencomplex Waaslandhaven-Oost op de E34, ter ontlasting van de omliggende woonkernen; – de herinrichting van de op- en afrittencomplexen Zwijndrecht en Waaslandhaven-Oost, onder meer in functie van de aansluiting van de parallelweg; – de bouw van een P&R (parkeergebouw) en een tramkeerlus ter hoogte van het kruispunt van de Blancefloerlaan met de nieuwe parallelweg; – het verplaatsen en ondergronds brengen van de Fluxysleiding DN500 ter hoogte van natuurgebied Blokkersdijk”. Het Oosterweelproject omvat volgens BAM: VII-41.264-47/58 “een nieuwe Scheldetunnel, een nieuw op- en afrittencomplex (aansluitingscomplex) op Rechteroever ter hoogte van het voormalige dorp Oosterweel en twee tunnelverbindingen tussen dit nieuwe aansluitingscomplex en de R1. Deze tunnels sluiten aan op de R1 ter hoogte van het aansluitingscomplex Groenendaallaan en de noordelijke kop van het Lobroekdok. Het project omvat tevens de vernieuwing van de R1 tussen de aansluiting met E34/E313 en de Burgemeester Jozef Masurebrug in Merksem. Het viaduct van Merksem wordt afgebroken en de autosnelweg zal er verdiept, in een sleuf worden aangelegd. Ter hoogte van Hof Ter Lo, de Schijnpoort, de noordelijke kop van het Lobroekdok en de omgeving Groenendaallaan, wordt de Ring overkapt. De kruising met het Albertkanaal is eveneens voorzien als een tunnel. De heraanleg van de R1 en de realisatie van de Oosterweelverbinding gebeurt deels met tunnels en wordt deels verdiept en in open lucht uitgevoerd. De delen in open lucht zijn, onder meer, nodig om de veiligheid in de tunnels te garanderen”. In verband met de Veiligheidsberm verwijst BAM naar de dadingsovereenkomst met 3M waaruit zij het volgende citeert: “3MBelgium aanvaardt om, kosteloos, op haar terreinen gelegen te Zwijndrecht, (hierna de “Terreinen Perceel 1”) een vast volume van 130.000 m³ grond met PFC-concentraties waarin begrepen de grond afkomstig van talud 1 en gedeeltelijk van talud 2 (code 4.2.9) (hierna de “Grond”) en een vast volume van 5.000 m3 grond met PFC-concentraties kleiner dan 1000 u/kg (code 4.2.9 en/of 9.2.9) afkomstig van de hoop zuidzijde van het terrein van 3M Belgium, definitief te bergen als een Veiligheidsberm (hierna de “Veiligheidsberm”), zoals aangeduid op het aangehecht plan (Bijlagen 2a en 2b), mits deze Veiligheidsberm niet zal kwalificeren als een stortplaats voor afvalstoffen (rubriek 2 VLAREM II)”. BAM stelt dat zij in de dading de verbintenis heeft aangegaan om de Veiligheidsberm aan te leggen waarvan het doel tweeledig is: “- met het oog op de fysieke beveiliging van de site wenst 3M Belgium een beveiligingsberm aan te leggen. Door de aanleg van deze berm en de vernieuwing van een deel van de bestaande afsluiting zal een effectieve beveiliging van het terrein bekomen worden ten opzichte van de snelweginfrastructuur en de bijhorende onderliggende wegen; VII-41.264-48/58 – naast het beveiligen van het terrein tegen inbraak, zal de berm eveneens fungeren als grondstockage voor het bergen van gronden afkomstig van de infrastructuurwerken”. 55. Uit dit alles dient in de huidige stand van de procedure te worden afgeleid dat de KWZ 101, die zich uitspant over de werven waarop de onderscheiden bestreden conformverklaringen betrekking hebben, niet in het kader van eenzelfde project werd vastgesteld maar van drie onderscheiden projecten die telkens het voorwerp zijn van meerdere vergunningen. 56. Het tweede middel is, in de besproken mate ernstig. VIII. Uiterst dringende noodzakelijkheid 57. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. 58. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. VII-41.264-49/58 Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. 59. Deze stelplicht impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar verzoekschrift aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). VII-41.264-50/58 60. De verzoekende partij doet er van getuigen dat zij met gepaste spoed en diligentie haar vordering heeft ingesteld. Zij heeft immers in het kader van de hangende milieustakingsprocedure eerst in oktober 2021 vernomen dat de Technische Verslagen die het voorwerp zijn geworden van de bestreden conformverklaringen, “in de fase van een eerste interne review” zaten, vervolgens op 25 november 2021 en 2 december 2021 dat er nog geen conformverklaringen van de technische verslagen waren waarop zij de andere partijen verzocht heeft haar daarover te informeren. Omdat zij hierop geen antwoorden ontving heeft zij aan Grondbank een aanvraag in het kader van openbaarheid van bestuur gedaan. Zij kreeg op 13 december 2021 de kwestieuze Technische Verslagen en de bestreden conformverklaringen om vervolgens op 17 december 2021 haar vordering in te stellen. 61. Hoewel de Raad van State geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat de verzoekende partij niet met gepaste spoed en diligentie haar vordering heeft ingesteld, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. 62. Evenmin volstaat het gegeven dat de bestreden beslissingen onmiddellijke ingang hebben opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring of een gewone schorsingsprocedure maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepsindiener en het staat aan een verzoekende partij die erop aandringt dat haar zaak bij voorrang wordt behandeld om aan te tonen, en zulks aan de hand van concrete, specifieke op haar betrekking hebbende en verifieerbare gegevens, dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige VII-41.264-51/58 schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken de verzoekende partij niet nalaat te doen. 63. De verzoekende partij levert hiervan het bewijs in haar uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid in de volgende bewoordingen: “138. PFOS behoort tot de bredere groep van PFAS. Die worden ’eeuwige chemicalien’ genoemd omdat ze heel moeilijk afbreekbaar zijn. PFAS stapelen zich op in het lichaam, wat leidt tot gezondheidsrisico’s. PFAS zijn chemische stoffen die door de mens zijn gemaakt. Zij komen van nature niet in het milieu voor. PFAS worden gelinkt aan onder meer een verstoorde hormoonbalans, verminderde fertiliteit, invloed op de groei en het gedrag van kinderen en verschillende kankers zoals nier- en testiskanker. Er zijn ook sterke aanwijzingen dat PFOS het immuunsysteem verzwakt, wat ten tijde van de COVID-epidemie niet onbelangrijk is. 139. De PFOS (en bij uitbreiding de PFAS-) vervuiling is ernstig, getuige hiervan de speciaal hiervoor opgerichte parlementaire onderzoekscommissie en Expertencommissie, de aanhoudende belangstelling in de media voor de problematiek, en het gegeven dat Belgie zich op de Europese ministerraad schaart achter de voorbereiding van een ban op duizenden PFAS. 140. Er kan, voor de gezondheidseffecten worden verwezen naar de Factsheet PFAS van het Steunpunt Milieu en Gezondheid […] waarin perfluorverbindingen in verband worden gebracht met: Verstoringen van de hormonenbalans van het lichaam; Verhoogde cholesterolgehalten; Verstoringen van de leverwerking; Vermindering van geboortegewicht; Vermindering van de kans om zwanger te worden; Verhoogd risico op hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap en pre-eclampsie (in de volksmond ‘zwangerschapsvergiftiging’); Invloed op groei, leercapaciteit en gedrag van kinderen; Invloed op het afweersysteem van het lichaam; Verhoging van het kankerrisico 141. Er zijn verschillende wetenschappelijke studies die de effecten van PFAS op onder meer, het immuunsysteem van kinderen aantonen. Ook de consumptie van groenten uit de eigen tuin werd in verband gebracht met verhoogde PFAS waarden in het bloed. 142. Resultaten van recente onderzoeken tonen nog meer dan voorheen aan hoe ernstig de situatie is. VII-41.264-52/58 143. Zo blijkt uit de eerste voorlopige resultaten van luchtmetingen dat PFOS zich veel meer via de lucht verspreidt dan initieel werd verondersteld. Tot voor kort ging men er voornamelijk van uit dat de verontreiniging vooral tot stand kwam door grondwaterverspreiding, maar inmiddels is duidelijk dat emissies via lucht ook een aanzienlijke impact hebben. Dit betreft uitstoot door de 3M-fabriek zelf, maar daarnaast is ook verspreiding via stof afkomstig van de werken van Lantis niet uitgesloten. Op de info-site omtrent PFOS wordt expliciet gesteld : “De eerste vaststellingen bevestigen de aanwezigheid van hogere concentraties PFAS in het verwaaiende en zwevende stof in de buurt van de 3M-site en de Lantis-werf vergeleken met de achtergrondlocatie in Dessel, die op een ruime afstand ligt van de werf en de 3M-site in Zwijndrecht. Hoe verder de meetpunten van 3M en de werf verwijderd liggen, hoe lager de gemeten PFAS-concentratie. Zo liggen de concentraties in het centrum van Zwijndrecht (0,015 ng/m3) zo’n 9 keer lager dan op de meetpost in Zwijndrecht dicht bij de 3M-site (0,144 ng/m3). Op dit ogenblik is het nog niet mogelijk om aan te geven welk aandeel in de verhoogde concentraties afkomstig is van de werken van Lantis, dan wel het gevolg is van de verstuiving van de vervuilde gronden op en rond de 3M-site.” 144. Ook zijn er recente resultaten van bloedstaalnames bij de omwonenden rond de 3M-fabriek en infrastructuurwerken. De resultaten zijn ontluisterend nu de staalnames aantonen dat de omwonenden hoge tot zeer hoge concentraties van PFOS in het bloed hebben. Het samenvattende rapport stelt het volgende: “WAT ZIJN DE VOORNAAMSTE CONCLUSIES VAN HET ONDERZOEK? De studie geeft ons een goed beeld van de lokale situatie. PFAS in serum werd gemeten bij 796 personen die wonen binnen een straal van 3 km rond de 3Msite in Zwijndrecht. De onderzoeksgroep is niet representatief voor de algemene bevolking van het onderzoeksgebied (zones in Zwijndrecht, Melsele en Linkeroever). Er deden meer oudere mensen en mensen uit een gezin met een diploma hoger onderwijs mee dan er gemiddeld in het gebied wonen. Toch zijn de resultaten valide omdat de groep groot is en omdat de factoren die we willen onderzoeken (bijv. gebruik van lokale voeding) voldoende aan bod komen in de onderzochte groep. PFOS vormt een risico voor de gezondheid van de bewoners in de buurt van 3M. Bewoners uit de omgeving van de 3M-site hebben vooral PFOS, PFOA, PFHxS en PFNA in het lichaam. In vergelijking met de algemene Vlaamse bevolking vinden we in het lichaam van de bewoners uit de buurt van de 3M-site vooral hogere waarden voor PFOS en PFHxS. Dit zijn twee stoffen waarvan geweten is dat ze in het verleden door 3M werden geproduceerd. Omdat ze moeilijk afbreken in het leefmilieu kunnen mensen nog steeds aan deze stoffen worden blootgesteld. VII-41.264-53/58 Voor PFOS heeft slechts 1 op 10 deelnemers een waarde waarbij geen gezondheidseffecten verwacht worden. Meer dan de helft van de deelnemers heeft een PFOS-gehalte dat vanuit gezondheidskundig standpunt te hoog ligt. Dit r

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.