← België

Arrest 252568 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 30/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.568 Rolnummer: A. 235320/IX-9986 Zaak: Arrest 252568 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 30/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-31 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-12 17:38 Fiche Arrest nr 252.568 van 30 december 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 252.568 van 30 december 2021 in de zaak A. 235.320/IX-9986 In zake:

  1. de VZW BROEDBLOEDERS
  2. de BV DE HOFLEVERANCIERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Paul Aerts, Christiaan Beyaert, Brecht Lambrecht en Anne-Sophie Claus kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Demo- cratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Jorien Van Belle kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 27 december 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 23 december 2021 ‘houdende wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus Covid-19 pandemie te voorkomen of te beperken’, “meer specifiek de artt. 4 en 7 m.b.t. het verbod van IX-9986-1/8 publiek toegankelijke evenementen, culturele en andere voorstellingen die binnen plaatsvinden”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 december 2021, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaten Jorien Van Belle en Yente Denayer, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Achtergrond
  6. Verzoeksters verklaren in hun verzoekschrift dat zij “beiden actief [zijn] in de cultuursector, waarbij zij (onder meer) tal van podiumkunsten creëren en mogelijk maken en een zo breed als mogelijke waaier van sociale en culturele activiteiten inrichten”. Ingevolge het door hen bestreden pandemiebesluit “waardoor alle culturele events in binnenruimten moeten worden afgelast”, moeten zij naar IX-9986-2/8 eigen zeggen noodgedwongen al hun activiteiten stopzetten met ingang van 26 december
  7. IV. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
  9. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid, laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
  10. Elke vordering moet op haar eigen merites worden beoordeeld, wat haar ontvankelijkheid en het vervuld zijn van de twee schorsingsvoorwaarden betreft, rekening houdend met de zo-even in herinnering gebrachte stelplicht die op IX-9986-3/8 élke verzoekende partij rust. Bij uitstek de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid gebeurt op grond van een onderzoek in concreto van wat de verzoekende partij specifiek doet gelden over de ernst en de dreigende onomkeerbaarheid van de schade dat zij op korte termijn vreest te zullen ondervinden bij een onmiddellijke tenuitvoerlegging van het door haar bestreden besluit.
  11. Om de Raad van State in de thans voorliggende zaak te overtuigen van de uiterst dringende noodzakelijkheid van hun vordering, stellen verzoeksters dat hun “geplande voorstellingen” en “de voorstellingen waarbij zij betrokken zijn” tot 28 januari 2022 in het gedrang komen: “Voor al deze voorstellingen hebben verzoekende partijen immense investeringen gedaan: zowel financiële investeringen, als investeringen op het vlak van voorbereiding, werk, tijd, netwerking, creatieve denkprocessen, overeenkomsten met andere partners, e.d. Het gros van deze investeringen worden geheel teniet gedaan door de bestreden beslissing. Uit het als stuk 4 gevoegde overzicht, blijkt dat nu reeds tal van voorstellingen definitief zijn geannuleerd. […] Maar zelfs voor de voorstellingen dewelke wél nog kunnen worden verschoven in de tijd, lijden verzoekende partijen nadelen. Vooreerst biedt de bestreden beslissing ongelofelijk veel onzekerheid: de cultuursector heeft er het raden naar wanneer de draad terug kan worden opgepikt en onder welke voorwaarden dit zal zijn. Ten tweede is het een bijna onmogelijke puzzel om alle voorstellingen daadwerkelijk te verschuiven. De agenda van de desbetreffende acteurs en cultuurhuizen zijn veelal volgeboekt, dan wel haken toeschouwers na verloop van tijd af. Om de agenda van alle betrokken partijen opnieuw op elkaar te kunnen laten afstemmen, is veel tijd en energie nodig. Tijd en energie die automatisch verdwijnen voor andere voorstellingen, creatief werk, voorbereidingen, e.d. Ten derde gaan de uitgestelde voorstellingen ten koste van nieuwe producties, dewelke reeds gepland zijn voor het seizoen 2022-2023.” Verzoeksters merken ten slotte op dat “de nadelen zich slechts [kunnen] manifesteren gedurende de uitvoering van de bestreden beslissing, zijnde de periode tussen 26 december 2021 en (voorlopig) 28 januari 2022”. Dit betekent dat een schorsingsprocedure “hoe dan ook onherroepelijk te laat zal komen” en IX-9986-4/8 aldus is er “manifest sprake van spoed die de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van beslissing verantwoordt”.
  12. De vaststelling dat verzoeksters slechts tijdelijk nadeel ondervinden van het bestreden besluit volstaat geenszins om aan te tonen dat de vordering “manifest” bij hoogdringendheid behandeld moet worden. Zoals de Raad van State al in tal van zaken heeft gewezen, kan de uiterst dringende noodzakelijkheid immers niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeksters niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat het bestreden besluit zijn volledige uitwerking heeft gehad. Om aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid te voldoen, moet deze vaststelling gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
  13. Volgens verzoeksters worden alle voorstellingen, gepland tussen 26 december 2021 en 28 januari 2022, “geannuleerd, dan wel verplaatst in de tijd”. In stuk 4 bij het verzoekschrift geven zij een opsomming van 36 voorstellingen die, op één na, gepland zijn tussen 5 januari en 28 januari
  14. Negen van die voorstellingen zijn ondertussen al geannuleerd en twaalf zijn verplaatst, aldus nog diezelfde lijst.
  15. Een schorsingsarrest heeft enkel uitwerking voor de toekomst en geeft dus enkel soelaas voor wat nog moet gebeuren. Als zonder de uitkomst van huidige vordering af te wachten door verzoeksters “nu reeds tal van voorstellingen definitief werden geannuleerd” – negen voorstellingen, zo lijkt – dan kan een schorsing dat niet meer goedmaken. De schade die in verband staat met die IX-9986-5/8 annulaties is geleden; een schadevergoeding hiervoor kunnen zij nastreven ingeval de Raad van State in een nog in te stellen annulatieberoep ertoe gebracht wordt een onwettigheid vast te stellen, of bij de gewone rechter.
  16. Hetzelfde geldt voor de voorstellingen die “verplaatst” zijn, wat erop wijst dat die beslissing al is genomen en waarbij daarenboven wordt bedacht dat verzoeksters alvast een oplossing hebben gevonden en niet concreet toelichten welk onoverkomelijk financieel of ander nadeel die verplaatsing naar een latere datum voor hen impliceert.
  17. Ten slotte zijn er vijftien optredens waarvan het lot volgens de lijst onduidelijk is. Tien van deze vijftien optredens zijn gepland op of na 15 januari 2022, wat de vraag doet rijzen waarom een verplaatsing ervan niet meer geregeld kan worden dan zonder onoverkomelijke kosten voor verzoeksters. Zij geven hieromtrent niet de minste informatie. Hoe dan ook laten verzoeksters na om over deze vijftien optredens te concretiseren welke impact een eventueel moeten afgelasten of herschikken ervan heeft op hun werking en inzonderheid op hun financiële situatie. Het gaat volgens hen om “immense investeringen”, maar het verzoekschrift bevat hiervan niet de minste becijfering en bij de bijlagen ontbreekt elk overtuigingsstuk. Zelfs rekening houdend met het gegeven dat het bestreden besluit in het Belgisch Staatsblad van 24 december 2021 is bekendgemaakt en verzoeksters dus slechts een uiterst korte tijd hadden om hun verzoekschrift op te stellen, mag van hen een minimale inspanning worden verwacht om de Raad van State hierover enig inzicht te geven.
  18. En zélfs als wordt aangenomen dat het bestreden besluit een put slaat in de kas van verzoeksters, verzuimen zij toe te lichten wat hun financiële toestand is en waarom zij niet de afloop van de procedure ten gronde kunnen afwachten om zich vervolgens voor deze schade vergoed te zien worden. IX-9986-6/8
  19. Naast een mogelijk financieel verlies alluderen verzoeksters ook op de “onzekerheid” “onder welke voorwaarden” de draad terug kan worden opgepikt, de verloren “tijd en energie” en de weerslag op het seizoen 2022-
  20. Verzoeksters sommen aldus enkele deels hypothetische nadelen op die zij – al dan niet terecht – toeschrijven aan de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, maar zij leggen niet uit waarom die nadelen op hun werking dermate impact heeft, dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid hen kan redden.
  21. De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. Die vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, zonder dat onderzocht moet worden wat de weerslag is van arrest nr. 252.564 van 28 december 2021 op de huidige zaak. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt de vordering.
  23. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9986-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9986-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.