id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.130 Rolnummer: A. 232336/XIV-38533 Zaak: Cassatiebeschikking 14130 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-12 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 03:22 Fiche Beschikking nr 14.130 van 8 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.130 van 8 januari 2021 in de zaak A. 232.336/XIV-38.533 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jana Schellemans kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 november 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 242.999 van 26 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 december 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker voert aan dat in de aanvankelijk bestreden beslissing, gevolgd door het bestreden arrest, is besloten tot het voorhanden zijn van een intern vestigingsalternatief na een toetsing aan artikel 48/4, § 2, c), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de XIV-38.533-1/3 verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), zonder correcte toepassing van artikel 48/5, § 3, van die wet. De aanvankelijk bestreden beslissing, die in het bestreden arrest wordt geciteerd, bevat inderdaad een uitgebreide toetsing aan (onder meer) artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen overweegt vervolgens in de aanvankelijk bestreden beslissing met verwijzing naar artikel 48/5, § 3, van de voornoemde wet “dat [verzoeker] zich aan de bedreiging van [zijn] leven of persoon als gevolg van de veiligheidssituatie in [zijn] regio van herkomst kan onttrekken door zich in de agglomeratie Jalalabad te vestigen, waar [hij] over een veilig en redelijk vestigingsalternatief beschikt”. Hierna onderzoekt de commissaris-generaal de situatie in de agglomeratie Jalalabad waarbij hij van oordeel is dat daar voor burgers geen reëel risico bestaat om het slachtoffer te worden van een ernstige bedreiging van hun leven of persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict in de zin van het voornoemde artikel 48/4, § 2, c). Hij overweegt ook dat geen persoonlijke omstandigheden blijken die erop wijzen dat verzoeker een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarna onderzoekt de commissaris-generaal “in concreto” of verzoeker “over een redelijk intern vestigingsalternatief beschikt in Jalalabad”. Hiertoe wordt verwezen naar verzoekers “persoonlijke omstandigheden” en meer bepaald zijn gezondheid, zijn familie en netwerk in de streek. Het besluit is dat, “gelet op [verzoekers] persoonlijke omstandigheden en profiel, een intern vestigingsalternatief in de agglomeratie Jalalabad voor [hem] veilig en redelijk is. Derhalve wordt vastgesteld “dat, daargelaten de huidige situatie in [verzoekers] regio van herkomst, [hij] in Jalalabad over een veilig en redelijk vestigingsalternatief beschikt in de zin van artikel 48/5, § 3 van de Vreemdelingenwet”. In het bestreden arrest wordt met verwijzing naar artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet bevestigd “dat uit artikel 48/5, § 3 van de Vreemdelingenwet volgt dat er geen behoefte is aan bescherming indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade bestaat en indien van de verzoeker om internationale bescherming redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land blijft” en dat in casu “verzoeker zich aan de bedreiging van zijn leven of persoon als gevolg van de veiligheidssituatie in zijn regio van herkomst kan onttrekken door zich in de agglomeratie Jalalabad te vestigen, waar hij over een veilig en redelijk intern vestigingsalternatief beschikt”. Na verzoekers kritiek op de vaststellingen betreffende zijn XIV-38.533-2/3 persoonlijke omstandigheden en de redelijkheid van het vestigingsalternatief concreet te hebben onderzocht en beantwoord, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast “dat verzoeker in de stad Jalalabad over een veilig en redelijk intern vestigingsalternatief beschikt in de zin van artikel 48/5, § 3 van de Vreemdelingenwet”. Verzoekers kritiek als zou enkel een toetsing aan de voorwaarden van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet zijn gebeurd om te besluiten tot de mogelijkheid van een intern vestigingsalternatief, mist aldus feitelijke grondslag. Minstens toont verzoeker niet aan dat bepaalde elementen op onwettige wijze buiten beschouwing zouden zijn gelaten bij de met toepassing van artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet gemaakte beoordeling. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.533-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.130 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div