← België

Cassatiebeschikking 14131 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.131 Rolnummer: A. 232119/XIV-38513 Zaak: Cassatiebeschikking 14131 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-27 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-10 03:23 Fiche Beschikking nr 14.131 van 11 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.131 van 11 januari 2021 in de zaak A. 232.119/XIV-38.513 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter-Jan De Block kantoor houdend te 1060 Brussel Sint-Bernardusstraat 96-98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 oktober 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 241.835 van 2 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 november 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In het bestreden arrest wordt geoordeeld dat het niet mogelijk is een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen een beslissing tot intrekking van een visum doch wordt niet de mogelijkheid betwist om met toepassing van artikel 39/82, § 4, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang XIV-38.513-1/2 tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen een beslissing tot terugdrijving. De eerste rechter was in de zaak die tot het bestreden arrest heeft geleid enkel gevat door een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de beslissing tot intrekking van een visum van 21 september 2020 doch niet tegen de beslissing tot terugdrijving van dezelfde datum. Dat verzoekster geen vordering tot uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de beslissing tot terugdrijving heeft ingesteld, doet geen afbreuk aan het feit dat de beslissing tot intrekking van een visum geen “verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de uitvoering imminent is” vormt in de zin van artikel 39/82, § 4, van de vreemdelingenwet en derhalve niet onder deze laatste bepaling valt. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.513-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.