← België

Cassatiebeschikking 14133 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.133 Rolnummer: A. 232193/XIV-38522 Zaak: Cassatiebeschikking 14133 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 03:23 Fiche Beschikking nr 14.133 van 11 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.133 van 11 januari 2021 in de zaak A. 232.193/XIV-38.522 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX
  3. XXXXX
  4. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 november 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 241.788 van 30 september 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 november 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. De verzoekers hebben voor de eerste rechter een schending opgeworpen van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het XIV-37.522-1/3 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, die betrekking hebben op de formelemotiveringsplicht. Zij hebben verder met verwijzing naar de coronacrisis en sluiting van het luchtruim aangevoerd dat de bestreden beslissing “kennelijk onjuist” is waar werd besloten dat de verzoekers hun aanvraag om machtiging tot verblijf konden indienen in hun land van herkomst (Brazilië).
  6. Al vermag de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich als annulatierechter niet voor een nieuwe beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van de verwerende partij, hij kan wel, zoals de verzoekers te dezen hebben gevraagd, nagaan of de voor hem aangevochten beslissing niet is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of niet onredelijk is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt in het bestreden arrest op dat de verzoekers kritiek geven op de inhoud van de aanvankelijk bestreden beslissing, dat hij in het kader van de materiëlemotiveringsplicht niet bevoegd is om over te gaan tot een herbeoordeling van de aanvraag en dat de verwerende partij over een zeer grote discretionaire bevoegdheid beschikt. Vervolgens overweegt hij concreet dat de coronacrisis de gehele wereld treft en dat de in het kader van deze crisis genomen maatregelen tijdelijk zijn en niet tot gevolg hebben dat de aanvankelijk bestreden beslissing onwettig is. Met het voorgaande antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op de kritiek van de verzoekers dat de aanvankelijk bestreden beslissing “kennelijk onjuist” zou zijn en hij gaat daarmee niet zijn bevoegdheid als annulatierechter te buiten. Op zijn beurt treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en spreekt hij zich derhalve niet uit over de juistheid of de redelijkheid van de aanvankelijk bestreden beslissing of van de beoordeling daarvan in het bestreden arrest.
  7. De door de verzoekers voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht wordt in het bestreden arrest beantwoord met de verwijzing naar het tijdelijke karakter van de veiligheidsmaatregelen in het kader van de coronacrisis, waarover volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen net omwille van dat tijdelijke karakter niet hoefde te worden gemotiveerd. XIV-37.522-2/3
  8. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  10. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, ieder voor een vierde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.522-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.