id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.134 Rolnummer: A. 232205/XIV-38523 Zaak: Cassatiebeschikking 14134 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-27 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 03:23 Fiche Beschikking nr 14.134 van 11 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.134 van 11 januari 2021 in de zaak A. 232.205/XIV-38.523 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Justin Braun kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 10 november 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 242.094 van 12 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 november 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De “eerste grief” van het enige middel
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in het door verzoeker aangehaalde arrest van 19 september 2013 in de zaak nr. 10499/11, R.J. tegen Frankrijk, onvoldoende geacht de motivering in een vonnis dat een XIV-38.523-1/4 medisch attest het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de medische vaststellingen en de verklaringen van verzoeker niet rechtvaardigt. Het EHRM verwijst naar het recente en ernstige karakter van de verwondingen die op gedetailleerde wijze zijn weergegeven in het medisch attest van R.J. en die overeenstemmen met het asielrelaas. Het EHRM is in die zaak van oordeel dat de sterke vermoedens over de oorsprong van de verwondingen van de betrokkene niet worden weggenomen door zich in de desbetreffende vonnis enkel te beroepen op het onvolledige karakter (“caractère lacunaire”) van het asielrelaas. Anders dan in de voornoemde zaak, blijkt het te dezen te gaan om een medisch attest van 10 juli 2020 en psychologische attesten van 29 juli en 24 september 2020 terwijl verzoeker zijn land van herkomst reeds heeft verlaten in mei 2017 en de verwonding nog van voordien dateert. Het gaat dus geenszins om een recente verwonding of om een medisch attest dat is opgesteld kort na het oplopen van de verwonding. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat uit het medisch attest van 10 juli 2020 weliswaar “kan” blijken dat verzoeker een litteken heeft dat “zou kunnen” overeenstemmen met zijn verklaringen dat een politieagent hem heeft verbrand met een sigaret, doch dat hieruit niet kan worden afgeleid dat dit effectief de oorzaak is van het litteken. Daarenboven gaat het te dezen niet enkel om een gebrekkig asielrelaas of een relaas met leemtes. Zo wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop, “waar verzoeker nog aanvoert dat een politieagent hem ook verbrand heeft met een sigaret, […] dat hij hiervan in de loop van de administratieve procedure op geen enkel moment gewag heeft gemaakt en in het verzoekschrift niet aangeeft waarom hij dit heeft achtergehouden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt ook op dat in het medisch rapport gewag wordt gemaakt van het feit dat verzoeker door politieagenten werd afgeperst voor 200 euro terwijl hij op het commissariaat-generaal heeft verklaard dat de politieagenten toen “ongeveer 50 dollar” vroegen”. Wat de psychologische attesten van 29 juli en 24 september 2020 betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat daaruit blijkt dat verzoeker wordt gevolgd door een psychotherapeut, dat daarmee evenwel niet kan worden aangetoond dat verzoekers psychische problemen zijn gelieerd aan de door hem aangevoerde vervolgingsproblemen en dat in geen van beide stukken wordt aangegeven wat verzoeker met deze attesten wenst aan te tonen. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die als feitenrechter soeverein oordeelt over de bewijswaarde van door een partij bijgebrachte stukken, concreet onderzocht of verzoekers medisch attest en de psychologische attesten een XIV-38.523-2/4 (begin van) bewijs kan vormen voor de door verzoeker voorgehouden mishandeling. Uit niets blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van de voornoemde stukken heeft geschonden. Verzoeker maakt derhalve geen schending aannemelijk van artikel 3 van het EVRM. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe in de plaats van de feitenrechter de zaak zelf te boordelen over de bewijswaarde van de voornoemde stukken. Uit de supra aangehaalde motieven blijkt ook duidelijk waarom verzoekers argumentatie niet wordt gevolgd in de mate dat ze is gesteund op de voornoemde attesten. Verzoeker maakt dienaangaande geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht. De “tweede grief” van het enige middel
- Anders dan verzoeker voorhoudt, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verzoek om internationale bescherming niet zonder meer af omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij niet in staat zou zijn te trouwen bij een terugkeer naar Venezuela. Wel overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker zich “beperkt […] tot een loutere bewering (post factum) die niet in concreto wordt gestaafd of onderbouwd met enig begin van bewijs”, dit niet enkel met betrekking tot het argument dat hij “nooit zal kunnen trouwen” maar ook met betrekking tot het argument “dat hij bij terugkeer naar Venezuela zijn relatie met zijn partner niet zal kunnen onderhouden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt nog op dat verzoeker “van deze vrees […] in de loop van de administratieve procedure op geen enkel ogenblik gewag [heeft] gemaakt”. Daargelaten de vaststelling dat de juridische onmogelijkheid op dit ogenblik van een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet hoeft te betekenen dat verzoeker “nooit” zal kunnen trouwen met zijn partner in Venezuela, kan een mogelijk gebrek in de verwerping van dit laatste argument in het bestreden arrest niet tot cassatie leiden vermits dit motief in het kader van de overige vaststellingen de strekking van het bestreden arrest niet heeft beïnvloed. Conclusie XIV-38.523-3/4
- Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.523-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div