← België

Cassatiebeschikking 14142 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.142 Rolnummer: A. 232228/XIV-38525 Zaak: Cassatiebeschikking 14142 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-10 03:24 Fiche Beschikking nr 14.142 van 13 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.142 van 13 januari 2021 in de zaak A. 232.228/XIV-38.525 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 november 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 241.903 van 6 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 november 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De verzoeksters houden eerst voor dat de conclusie en het dictum van het bestreden arrest zijn gesteund op het feit dat zij niet onmiddellijk asiel hebben gevraagd. XIV-38.525-1/3 De vaststelling in het bestreden arrest dat de verzoeksters niet onmiddellijk asiel hebben gevraagd, heeft geen betrekking op een te lang tijdsverloop als dusdanig maar op het feit dat zij pas asiel hebben gevraagd nadat zij door de Belgische luchthavenautoriteiten werden gevat met vervalste Argentijnse paspoorten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht deze houding des te onbegrijpelijker in het licht van de verklaringen van de verzoeksters op de dienst Vreemdelingenzaken dat zij een visum hadden aangevraagd met de bedoeling om in België een verzoek om internationale bescherming in te dienen. De verzoeksters gaan derhalve uit van een onvolledige lezing van het bestreden arrest wat het voormelde motief betreft. Met dat motief wordt ook geen betekenis gegeven aan enig stuk uit het administratief dossier die in strijd is met de bewoordingen of inhoud ervan. Bovendien gaat het, anders dan de verzoeksters lijken voor te houden, slechts om één motief van het bestreden arrest. Daarna wordt immers ingegaan op de tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen van eerste verzoekster over de reisweg van de verzoeksters naar België en op de (on-)geloofwaardigheid van de voorgehouden bekering tot het katholicisme, dit laatste gezien de beperkte kennis van eerste verzoekster over het christelijk geloof en de tegenstrijdigheden over het bekeringsproces en de daarbij betrokken personen. Verder behoort de beoordeling van de handelwijze van de verzoeksters tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter. De Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
  4. De beoordeling van de tegenstrijdigheid omtrent het verlies van het Iraanse paspoort behoort eveneens tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter.
  5. Met de kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor de rest zijn onderzoek zou hebben beperkt tot de vaststelling van de tegenstrijdigheden in de verklaringen van eerste verzoekster zonder na te gaan of tweede verzoekster de waarheid spreekt, gaan de verzoeksters voorbij aan het concreet ontwikkelde motief in het bestreden XIV-38.525-2/3 arrest dat de verzoeksters er zich toe beperken eenvoudigweg te ontkennen dat tweede verzoekster om opportunistische redenen naar de kerk ging in België, zonder afbreuk te doen aan de concreet vermelde motieven. In de mate dat de verzoeksters van oordeel zijn dat de feiten anders beoordeeld hadden moeten worden, dient te worden herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
  6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.525-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.