← België

Cassatiebeschikking 14143 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.143 Rolnummer: A. 232237/XIV-38526 Zaak: Cassatiebeschikking 14143 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-27 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 03:24 Fiche Beschikking nr 14.143 van 13 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.143 van 13 januari 2021 in de zaak A. 232.237/XIV-38.526 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Boyaert kantoor houdend te 1190 Brussel Massenetlaan 2 bus 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 10 november 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 242.318 van 16 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 november 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker werpt een schending op van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht, maar hij geeft niet concreet aan op welk vlak de motivering van het bestreden arrest tekort schiet. Meer bepaald gaat verzoeker voorbij aan de omstandige motivering vanaf punt 3.7 van het bestreden arrest. XIV-38.526-1/2 Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  2. Verzoeker beperkt zich tot een algemene verwijzing naar de inhoud van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, zonder in het minst in te gaan op de uitgebreide en concrete motivering dienaangaande vanaf punt 3.16 van het bestreden arrest. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.526-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.