id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.145 Rolnummer: A. 232393/XIV-38539 Zaak: Cassatiebeschikking 14145 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-10 03:24 Fiche Beschikking nr 14.145 van 13 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.145 van 13 januari 2021 in de zaak A. 232.393/XIV-38.539 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 242.993 van 26 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 december 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Naar luid van artikel 74/5, § 5, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) wordt de maatregel van terugdrijving genomen ten opzichte van de vreemdeling bedoeld in § 4, die toegelaten wordt XIV-38.539-1/3 het Rijk binnen te komen, van rechtswege gelijkgesteld met een bevel om het grondgebied te verlaten in de zin van artikel 7, eerste lid van dezelfde wet. Artikel 52/3, § 3, van de vreemdelingenwet houdt in dat, indien een vreemdeling op het moment van indiening van zijn verzoek om internationale bescherming reeds het voorwerp uitmaakt van een verwijderingsmaatregel waaraan hij nog geen gevolg heeft gegeven, geen nieuwe verwijderingsmaatregel ter kennis wordt gebracht maar de uitvoerbaarheid van de reeds gegeven maatregel tijdens de behandeling van het verzoek om internationale bescherming wordt opgeschort overeenkomstig de artikelen 49/3/1 en 39/70 van de vreemdelingenwet. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018 in de zaak C-181/16, Gnandi tegen de Belgische Staat, volgt dat de rechtsgevolgen van een terugkeerbesluit van rechtswege worden geschorst tijdens de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, doch niet dat een eerder genomen verwijderingsmaatregel als ingetrokken of niet-bestaande zou moeten worden beschouwd.
- Te dezen stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest vast, hetgeen op zich niet wordt betwist, dat de verwerende partij op 17 april 2018 een beslissing tot terugdrijving heeft genomen (dit is de aanvankelijk bestreden beslissing in de huidige zaak), dat verzoekster op 19 april 2018 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, dat verzoekster op 5 mei 2018 tot het Belgisch grondgebied werd toegelaten en dat de aanvankelijk bestreden beslissing op basis van artikel 74/5, § 5, van de vreemdelingenwet van rechtswege is omgezet in een bevel om het grondgebied te verlaten. Dat een beslissing tot terugdrijving van rechtswege wordt omgezet in een bevel om het grondgebied te verlaten, betekent niet dat de verwerende partij een nieuwe beslissing heeft genomen. Het gaat om een reeds bestaande verwijderingsmaatregel waarvan de uitvoerbaarheid tijdens de duur van de asielprocedure wordt geschorst. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve de artikelen 2 en 3 van het EVRM niet geschonden door geen onverenigbaarheid vast te stellen met de bepalingen van artikel 52/3 van de vreemdelingenwet of met hetgeen is gesteld in het voornoemde arrest Gnandi. XIV-38.539-2/3 Bovendien geeft verzoekster in het verzoekschrift tot cassatie zelf aan dat haar verzoek om internationale bescherming van 19 april 2018 is afgewezen met een weigeringsbeslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 april 2020 en dat haar beroep daartegen werd verworpen met een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 20 oktober
- Hieraan kan volledigheidshalve worden toegevoegd dat verzoeksters cassatieberoep tegen dit laatste arrest niet-toelaatbaar is verklaard door de Raad van State met beschikking nr. 14.129 van 8 januari
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.539-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div