← België

Cassatiebeschikking 14159 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.159 Rolnummer: A. 232353/XIV-38535 Zaak: Cassatiebeschikking 14159 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-19 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 03:27 Fiche Beschikking nr 14.159 van 18 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.159 van 18 januari 2021 in de zaak A. 232.353/XIV-38.535 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Françoise Jacobs kantoor houdend te 1050 Brussel Kroonlaan 88 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 november 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 242.765 van 22 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 december 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. Artikel 12.1, a), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking XIV-38.535-1/6 komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2011/95) luidt: “Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer: a) hij onder artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR. Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;” Naar luid van artikel 55/2 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) wordt een vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij (onder meer) valt onder artikel 1, D van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (hierna: het vluchtelingenverdrag). Artikel 1, D, van het vluchtelingenverdrag bepaalt: “Dit Verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoger Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke redenen ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.” Uit de voornoemde bepalingen volgt in essentie dat Palestijnen die bescherming of bijstand genieten van het United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (hierna: UNRWA), uitgesloten worden van de vluchtelingenstatus doch dat zij, indien deze bescherming of bijstand buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de vreemdeling ophoudt, van rechtswege aanspraak kunnen maken op de vluchtelingenstatus.
  4. De verzoekers houden voor dat “dat zij als UNRWA geregistreerde vluchtelingen, die aantoonden dat de bescherming verleend door UNRWA in hun geval opgehouden had te bestaan, [...], aanspraak konden maken op erkenning van rechtswege”, dat in die omstandigheden artikel 1, D, van het vluchtelingenverdrag had moeten worden XIV-38.535-2/6 toegepast en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onterecht een voorwaarde aan de aangehaalde bepalingen heeft toegevoegd, met name dat een verzoeker om internationale bescherming tot kort voor het indienen van zijn verzoek deze bijstand zou moeten hebben genoten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 17 juni 2010 in de zaak C-31/09, Bolbol tegen Hongarije, overwogen “dat de registratie bij het UNRWA toereikend bewijs vormt voor het feit dat daadwerkelijk hulp daarvan wordt genoten”. Het Hof heeft vervolgens in dat arrest echter ook overwogen en op de desbetreffende prejudiciële vraag geantwoord dat een persoon, voor de toepassing van artikel 12.1, sub a, eerste volzin, van (thans) richtlijn 2011/95, bescherming of bijstand van een andere instelling van de Verenigde Naties dan de UNHCR geniet, “wanneer die persoon daadwerkelijk deze bescherming of bijstand heeft ingeroepen”. Zo ook heeft hetzelfde Hof in zijn arrest van 25 juli 2018 in de zaak C-585/16, Alheto tegen Bulgarije, op de in die zaak gestelde eerste prejudiciële vraag geantwoord dat artikel 12.1, a), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd “dat de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door een persoon die bij de Organisatie van de Verenigde Naties voor Hulpverlening aan Palestijnse Vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) is geregistreerd, onderzoek vereist naar de vraag of deze persoon daadwerkelijk bescherming of bijstand van deze organisatie geniet, op voorwaarde dat dit verzoek eerder niet is afgewezen op basis van een niet-ontvankelijkheidsgrond of een andere uitsluitingsgrond dan die welke is genoemd in artikel 12, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2011/95”. Uit deze rechtspraak blijkt alleszins dat ook bij de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door de houder van een UNRWA- registratiekaart, moet worden onderzocht of de betrokkene daadwerkelijk bescherming of bijstand van het UNRWA geniet. Daarenboven heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 19 december 2012 in de zaak C-364/11, El Kott tegen Hongarije geoordeeld dat, ingevolge het gebruik van de woorden “thans” en “genieten” (dit laatste in de tegenwoordige tijd) in de zinsnede “personen die thans hulp en bijstand genieten” in artikel 1, D, van het vluchtelingenverdrag, artikel 12.1, a), van richtlijn 2011/95 “aldus [moet] worden uitgelegd dat de in die bepaling neergelegde grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus niet alleen van toepassing is op de personen die thans de door UNRWA verleende bijstand genieten, maar ook op diegenen die, zoals verzoekers in het hoofdgeding, die bijstand XIV-38.535-3/6 daadwerkelijk hebben genoten kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat, voor zover die bijstand evenwel niet is opgehouden in de zin van de tweede volzin van datzelfde lid 1, sub a”. Het Hof komt tot deze conclusie na te hebben overwogen dat de voornoemde zinsnede van artikel 1, D, van het vluchtelingenverdrag “niet aldus [kan] worden uitgelegd dat het loutere feit dat de betrokkene zich bevindt buiten het gebied waarin het UNRWA werkzaam is of dit gebied vrijwillig verlaat, volstaat om de in die bepaling neergelegde uitsluiting van de vluchtelingenstatus te beëindigen” en dat “anders […] een asielzoeker in de zin van artikel 2, sub c, van richtlijn 2005/85, die zijn asielverzoek op het grondgebied van een van de lidstaten indient en zich dus fysiek buiten de zone bevindt waarin het UNRWA werkzaam is, nooit onder de grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus van artikel 12, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/83 [zou] kunnen vallen, wat een dergelijke uitsluitingsgrond elk nuttig effect zou ontnemen”. Hieruit volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen voorwaarde heeft toegevoegd aan de aangehaalde bepalingen door als voorwaarde te stellen dat de verzoekers kort voor het indienen van het verzoek om internationale bescherming daadwerkelijk hulp en bijstand hebben genoten van het UNRWA. De verwijzing door de verzoekers naar het standpunt van het UNHCR doet geen afbreuk aan het voorgaande vermits dergelijk standpunt geen bindende kracht heeft in het Belgische recht.
  5. De verzoekers houden voor dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bovendien de in het voornoemd arrest El Kott van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde periode “kort voor het indienen van een asielverzoek” verkeerd heeft geïnterpreteerd door te eisen dat de verzoekers zouden aantonen in Gaza te hebben verbleven tot onmiddellijk vóór het indienen van hun verzoek om internationale bescherming in België. De verzoekers hebben echter zelf aangevoerd (en houden nog steeds voor) dat zij pas op 13 augustus 2018 Gaza hebben verlaten. In navolging van de aanvankelijk bestreden beslissing, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel dat de verzoekers dit niet bewijzen en derhalve niet aantonen dat zij bescherming of bijstand hebben genoten van het UNRWA, kort voor het indienen van hun verzoek om internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dus niet als absolute XIV-38.535-4/6 voorwaarde dat de verzoekers bewijzen tot 13 augustus 2018 in Gaza te hebben verbleven, hij stelt wel vast dat de verzoekers hun voorgehouden verblijf in Gaza tot 13 augustus 2018 niet bewijzen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt hiertoe op omstandig gemotiveerde wijze zowel de verklaringen als de stukken van de verzoekers, waarbij hij vaststelt dat de schoolrapporten van de kinderen van de verzoekers uit 2015 het voorgehouden verdere verblijf tot augustus 2018 niet aantonen en dat het voorgehouden verdere verblijf (dus tussen 2015 en augsutus 2018) ook niet blijkt uit de andere stukken. Hij besluit derhalve “dat verzoekers geen duidelijkheid scheppen over waar zij voor hun vertrek naar België verbleven hebben noch aantonen dat Gaza het laatste dan wel enige land van gewoonlijk verblijf was”. Dat niet werd uitgesloten dat de verzoekers een verblijfsmogelijkheid op de westelijke Jordaanoever hadden, is slechts een hypothese op grond waarvan andermaal aan het voorgehouden voortdurend verblijf in Gaza wordt getwijfeld, maar die geen afbreuk doet aan de vaststelling wat dit laatste betreft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft met de voornoemde beoordeling geen van de aangehaalde bepalingen geschonden. Verder is de Raad van State niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden en zich in de plaats van de feitenrechter een oordeel te vormen over de plaatsen van verblijf en de duur ervan voorafgaand aan het verzoek om internationale bescherming of om de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling te toetsen aan de redelijkheid.
  6. De verzoekers voeren aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou hebben onderzocht om welke reden de bijstand door het UNRWA is opgehouden en dat het bestreden arrest daarover geen motivering bevat. Het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de verzoekers niet aantonen kort voor hun verzoek om internationale bescherming bijstand van het UNRWA te hebben genoten vermits zij hun voorgehouden verblijf in Gaza niet aantonen, is niet onwettig bevonden. De verzoekers gaan vervolgens voorbij aan de uitgebreide beoordeling van hun relaas, zowel van hun eigenlijke verklaringen als van de door hen bijgebrachte stukken. Zij geven niet concreet aan op welke argumenten niet zou zijn geantwoord of op welke punten deze beoordeling tekort zou schieten. Derhalve tonen de verzoekers niet aan op welk vlak de motivering van het bestreden arrest tekort zou schieten.
  7. Nu niet blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze heeft geoordeeld dat de verzoekers niet onder de toepassing vallen van XIV-38.535-5/6 artikel 55/2 van de vreemdelingenwet iuncto artikel 1, D, van het vluchtelingenverdrag, blijkt evenmin dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onterecht het verzoek om internationale bescherming heeft onderzocht in het licht van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet.
  8. De door de verzoekers voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dienen niet te worden gesteld. Uit de supra aangehaalde arresten van dat Hof blijkt immers duidelijk dat voor de toepassing van de aangehaalde bepalingen dient te worden nagegaan of de verzoekers korte tijd voor het indienen van hun verzoek om internationale bescherming daadwerkelijk de in artikel 1, D, van het vluchtelingenverdrag bedoelde hulp of bijstand hebben genoten, ook al beschikken de verzoekers over een UNRWA-registratiekaart.
  9. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  10. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  11. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.535-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.159 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.