← België

Cassatiebeschikking 14161 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.161 Rolnummer: A. 232527/XIV-38552 Zaak: Cassatiebeschikking 14161 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-19 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 03:27 Fiche Beschikking nr 14.161 van 18 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.161 van 18 januari 2021 in de zaak A. 232.527/XIV-38.552 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johannes Baelde kantoor houdend te 8200 Sint-Andries Gistelse Steenweg 229 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2020 strekt tot de cassatie van het arrest nr. 245.355 van 1 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de Vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een XIV-38.552-1/4 vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. 2.
  2. Verzoekers kritiek in het enige middel, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de middels een aanvullende zittingsnota van 3 november 2020 neergelegde aanvullende bewijsstukken die verzoeker via sociale media van zijn voormalige werkgever heeft verkregen, getuigt van een onvolledige lezing van het bestreden arrest. Zo stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in overweging 2.2.
  3. van het bestreden arrest: “2.2.
  4. Op 3 november 2020 legt verzoekende partij overeenkomstig artikel 39/76, § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet een aanvullende nota met volgende nieuwe elementen neer: twee Facebookfoto’s waarop verzoeker te zien is met vrienden, een attest van verzoekers werkgever in Libië dd. 21 oktober 2020 met kopie van diens paspoort, de registratie bewijzen van de firma waar verzoeker tewerkgesteld was, een ‘residence certificate’ en een bewijs van Viva Expres waaruit blijkt dat verzoeker post heeft ontvangen uit Libië. Dezelfde aanvullende nota en documenten werden tevens aan de Raad overgemaakt bij aangetekend schrijven van 3 november 2020.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen komt “[n]a lezing van het administratief dossier” tot het besluit dat “verzoeker op generlei wijze aannemelijk maakt dat hij zijn ganse leven tot aan zijn vertrek naar Europa begin 2017 als Syriër in Libië heeft gewoond”, onder meer omdat “verzoeker vooreerst geen enkel overtuigend document neer[legt] dat zijn beweerde verblijf in Libië kan staven” en hij motiveert dit op omstandige wijze in overweging 2.6.2.
  5. van het bestreden arrest. Specifiek met betrekking tot de door verzoeker neergelegde aanvullende bewijsstukken die hij van zijn voormalige werkgever heeft verkregen, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Verzoeker legt bij aanvullende nota uiteindelijk toch een attest neer van zijn werkgever in Libië dd. 21 oktober 2020 met kopie van diens paspoort en de registratiebewijzen van de firma waar verzoeker tewerkgesteld was. Vooreerst rijst echter de vraag waarom verzoeker deze verklaring van zijn werkgever niet eerder kon verkrijgen, temeer hem tijdens de persoonlijke onderhouden meermaals werd gevraagd om bijkomende documenten bij te brengen die zijn beweerde verblijf in Libië kunnen staven. Het attest komt de Raad dan ook voor als een complaisancestuk opgemaakt voor onderhavige beroepsprocedure. Bovendien heeft het attest een duidelijk gesolliciteerd karakter, waarbij nog dient te worden opgemerkt dat de waarachtigheid van de inhoud ervan op geen enkele wijze kan worden geverifieerd, XIV-38.552-2/4 zodat hieraan bezwaarlijk enige objectieve bewijswaarde kan worden toegekend en het stuk in kwestie aldus de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen omtrent zijn jarenlange verblijf in Libië niet kan herstellen. De Raad merkt te dezen nog op dat dergelijke ‘niet officiële’ documenten niet als alleenstaand kunnen gezien worden binnen een aanvraag, maar deel uitmaken van het geheel van de elementen die voorliggen ter beoordeling van de nood aan internationale bescherming. Het gewicht dat aan dergelijke attesten wordt gegeven dient dan ook bepaald te worden binnen dit geheel. In acht genomen wat voorafgaat en mede gelet op verzoekers manifest ongeloofwaardige verklaringen omtrent zijn verblijf in Libië, zoals ook blijkt uit wat volgt, oordeelt de Raad dat het attest van verzoekers werkgever iedere objectieve bewijswaarde dient te worden ontzegd.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dus wel degelijk rekening gehouden met de door verzoeker neergelegde aanvullende bewijsstukken die hij van zijn voormalige werkgever heeft verkregen en hij heeft uiteengezet waarom deze niet het bewijs kunnen leveren van verzoekers beweerde verblijf in Libië. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht. 2.
  6. Voorts klaagt verzoeker in het enige middel nog aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft nagelaten om de nodige onderzoeksmaatregelen te bevelen, meer bepaald om het dossier terug te sturen naar het commissariaat-generaal met het oog op het uitvoeren van een authenticiteitscontrole van het door hem voorgelegde originele paspoort nu er twijfel is over de echtheid hiervan. Verzoeker gaat er evenwel aan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein oordeelt of hij aanvullende onderzoeksmaatregelen nodig acht en de zaak daartoe terugstuurt naar het commissariaat- generaal zoals voorzien in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, juncto 39/76, § 2, van de Vreemdelingenwet. Het valt niet aan de Raad van State als administratieve cassatierechter toe om die beoordeling opnieuw te doen. 2.
  7. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 1, A, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van artikel 3 juncto artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/65, eerste lid, 48/3, 48/4 en 48/6, § 5, van de Vreemdelingenwet en van de jurisdictionele motiveringsplicht. 2.
  8. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.552-3/4 BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  10. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.552-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.