← België

Cassatiebeschikking 14162 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.162 Rolnummer: A. 232256/XIV-38527 Zaak: Cassatiebeschikking 14162 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-21 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-10 03:27 Fiche Beschikking nr 14.162 van 18 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.162 van 18 januari 2021 in de zaak A. 232.256/XIV-38.527 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Justine Braun kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 november 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 242.307 van 16 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 december 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De “eerste grief” van het enige middel
  2. Volgens verzoeker wordt met het bestreden arrest elke bewijskracht aan het door hem bijgebrachte medisch attest ontzegd “terwijl dit verslag de littekens en de XIV-38.527-1/5 psychologische problemen van verzoeker rechtstreeks in verband brengt met de gebeurtenissen in Irak”.
  3. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in het door verzoeker aangehaalde arrest van 19 september 2013 in de zaak nr. 10499/11, R.J. tegen Frankrijk, onvoldoende geacht de motivering in een vonnis dat een medisch attest het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de medische vaststellingen en de verklaringen van de verzoeker niet rechtvaardigt. Het EHRM verwijst naar het recente en ernstige karakter van de verwondingen die op gedetailleerde wijze zijn weergegeven in het medisch attest van R.J. en die overeenstemmen met het asielrelaas. Het EHRM is in die zaak van oordeel dat de sterke vermoedens over de oorsprong van de verwondingen van de betrokkene niet worden weggenomen door zich in de desbetreffende vonnis enkel te beroepen op het onvolledige karakter (“caractère lacunaire”) van het asielrelaas.
  4. Verzoeker beperkt zich tot een algemene stelling doch maakt niet concreet aannemelijk dat het medisch attest zijn littekens en psychologische problemen rechtstreeks in verband zou brengen met de gebeurtenissen in Irak. Hij gaat voorbij aan de concrete overwegingen in het bestreden arrest dat “het voorgelegde medisch attest […[ in casu [werd] opgesteld in België en […] vrij summier [is] opgesteld en dat “de huisarts […] onder verwijzing naar een radiografie [bevestigt] dat verzoeker littekens vertoont en [aan]geeft […] dat deze ‘selon les dires de la personne’ onder meer afkomstig zijn van bomexplosies”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “[bevestigt] de arts […] nergens in het attest dat de vastgestelde littekens daadwerkelijk overeenstemmen met de verklaringen van verzoeker over hoe hij deze littekens heeft opgelopen, noch wordt in het attest op enige andere wijze uitspraak gedaan over de fysieke oorzaak van de littekens.” Steeds volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “[maakt] het medisch attest […] tevens melding van symptomen van PTSD” doch “betreft dit geen gedetailleerd attest en blijkt nergens uit het attest op basis waarvan de attesterende arts hiertoe is gekomen” en “geldt [dit] des te meer nu uit het medische attest blijkt dat de arts zich voor wat betreft de oorzaak van verzoekers letsels en mentale problemen heeft gebaseerd op diens verklaringen, die evenwel ongeloofwaardig worden bevonden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst ook naar “het summiere karakter en het beperkt gewicht van de medische attesten”. XIV-38.527-2/5 Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de bewijskracht van het medische attest in de zin dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er een betekenis aan zou hebben gegeven die strijdig is met de bewoordingen of de inhoud ervan.
  5. Verder blijkt het te dezen te gaan om een medisch attest van 27 december 2019 terwijl verzoeker zijn land van herkomst reeds heeft verlaten in april 2015 en de voorgehouden feiten nog van voordien zouden dateren. Het gaat dus geenszins om een recente verwonding of om een medisch attest dat is opgesteld kort na het oplopen van de verwonding. Daarenboven gaat het te dezen niet enkel om een gebrekkig asielrelaas of een relaas met leemtes maar wordt opnieuw op concreet onderbouwde wijze vastgesteld dat verzoekers huidige vluchtmotieven niet overeenkomen met wat hij voor de Oostenrijkse asielinstanties heeft verklaard en dat ook zijn in Oostenrijk afgelegde verklaringen manifest tegenstrijdig zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voegt daaraan toe dat verzoeker erg vaag bleef over zowel de leden van de militie Asaeb al-Haq die in zijn werk zouden zijn geïnfiltreerd als over zijn andere soennitische collega’s en is op grond van een aantal concrete motieven van oordeel dat dit verzoekers geloofwaardigheid verder ondermijnt. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die als feitenrechter soeverein oordeelt over de bewijswaarde van door een partij bijgebrachte stukken, concreet onderzocht of verzoekers medisch attest over de littekens en psychologische problemen een (begin van) bewijs kan vormen voor de door verzoeker voorgehouden mishandeling. Verzoeker maakt derhalve geen schending aannemelijk van artikel 3 van het EVRM. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe in de plaats van de feitenrechter de zaak zelf te boordelen over de bewijswaarde van de voornoemde stukken. Uit de supra aangehaalde motieven blijkt ook duidelijk waarom verzoekers argumentatie niet wordt gevolgd in de mate dat ze is gesteund op diens medisch en psychologisch attest. Verzoeker maakt dienaangaande geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht. XIV-38.527-3/5 De “tweede grief” van het enige middel
  6. Uit de door verzoeker geciteerde motivering van het bestreden arrest blijkt wel degelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers “soennitisch geloof en zijn werkzaamheden voor het Iraaks ministerie van Binnenlandse zaken” niet beschouwt als persoonlijke omstandigheden die een verhoogd risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet vormen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens nog eens uitdrukkelijk overweegt “dat een soennitische geloofsovertuiging aanleiding kan geven tot slachtofferschap van gericht geweld, quod non in casu, maar dat dit niet kan worden beschouwd als een persoonlijke omstandigheid die in hoofde van verzoeker een verhoogd risico oplevert om slachtoffer te worden van het in Bagdad aanwezige willekeurige geweld”, is een bijkomende verduidelijking met betrekking tot dat geloof die geen afbreuk doet aan de vaststelling dat ook verzoekers werkzaamheden niet als een dergelijke persoonlijke omstandigheid worden beschouwd. Verder ligt er geen tegenstrijdigheid in de vaststelling dat het soennitisch geloof enerzijds aanleiding kan geven tot gericht geweld, hetgeen in verzoekers geval uitdrukkelijk wordt verworpen, en anderzijds geen persoonlijke omstandigheid vormt die een verhoogd risico oplevert om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Conclusie
  7. Het enige middel is in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.527-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.527-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.162 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.