← België

Cassatiebeschikking 14164 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.164 Rolnummer: A. 232368/XIV-38537 Zaak: Cassatiebeschikking 14164 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-21 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-14 02:19 Fiche Beschikking nr 14.164 van 20 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.164 van 20 januari 2021 in de zaak A. 232.368/XIV-38.537 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4020 Luik rue Jondry 2A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 243.389 van 29 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is aangekomen ter griffie op 6 januari

  1. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  2. Verzoeker voert eerst de schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte juridisctionele motiveringsplicht omdat “in het bestreden arrest [niet] wordt […] ingegaan op alle elementen die ter ondersteuning van het beroep zijn aangevoerd met name het feit dat homoseksualiteit in Libanon strafbaar is gesteld en wordt XIV-38.537-1/4 vervolgd”, “om nog maar te zwijgen van de dreiging die uitgaat van de verschillende religieuze stromingen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in punt 2.5.2 van het bestreden arrest onder meer naar de overweging in de aanvankelijk bestreden beslissing dat uit de door verzoeker neergelegde informatie over homoseksualiteit in Libanon geenszins zijn persoonlijke problemen blijken en hij sluit zich daarbij aan. Vervolgens gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.5.3 uitgebreid in op de informatie in het administratief dossier over de situatie van LGBTIQ-personen in Libanon, in het bijzonder op de al dan niet toepassing van artikel 534 van het Libanese strafwetboek, waaruit hij besluit dat uit die informatie “bijgevolg niet [blijkt] dat homoseksuelen in Libanon in een dermate kwetsbare situatie verkeren dat degenen die tot deze groep behoren enkel vanwege hun seksuele geaardheid doelwit zijn van ernstige mensenrechtenschendingen en dat zij daartegen geen bescherming kunnen krijgen”. Daarna verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet naar de door verzoeker bijgebrachte documentatie van Amnesty International, de “ECOI van 2018” en de afgelasting van de Gay Pride in september
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt deze informatie omstandig in vergelijking met de eerder genoemde informatie en met verzoekers eigen verklaringen. Hij besluit dat, “hoewel uit de informatie waarop de Raad vermag acht te slaan inderdaad blijkt dat het voor homoseksuelen in Libanon nog steeds niet altijd even evident is om zich als dusdanig te profileren, dat zij in bepaalde situaties het voorwerp kunnen uitmaken van discriminatoire behandeling en dat nog verdere stappen dienen te worden gezet op het vlak van gelijke rechten voor de LGBTIQ-gemeenschap, […] hieruit geenszins [kan] blijken dat homoseksuelen in Libanon het voorwerp uitmaken van een systematische vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin” en dat “dit […] evenmin [kan] blijken uit verzoekers eigen verklaringen”, die ook nog concreet worden beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt ook op concreet gemotiveerde wijze op dat verzoeker uitgaat van een selectieve lezing van de door hem bijgebrachte informatie. Verzoeker, die niet ingaat op de voormelde motieven, laat staan aangeeft in welke mate deze tekort zouden schieten, toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. XIV-38.537-2/4
  4. Volgens verzoeker “beschouwt [het] bestreden arrest de documenten van verzoeken[de] partij als ‘secundair’ bewijsmateriaal, dat enkel geloofwaardig bevonden verklaringen kan bevestigen”. In het bestreden arrest is nergens sprake van “secundair” bewijsmateriaal. Verzoeker gaat voorbij aan de omstandige en concreet uitgewerkte motieven van het bestreden arrest waarin niet enkel verzoekers verklaringen maar ook de algemene informatie (zowel deze uit het administratief dossier als verzoekers documentatie over de toestand voor homoseksuelen in Libanon) uitgebreid wordt onderzocht en beoordeeld. Wat bepaalde andere door verzoeker ingediende stukken betreft, wordt in punt 2.5.2 van het bestreden arrest concreet aangegeven waarom deze stukken de ongeloofwaardigheid van verzoekers relaas niet kunnen herstellen, met name omdat het gaat om stukken “die door eender wie en voor eender welke doeleinden” kunnen zijn opgemaakt. Betreffende de stukken die verzoekers identiteit, herkomst en seksuele geaardheid moeten staven, wordt nog opgemerkt dat deze elementen niet in twijfel worden getrokken. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zich uit te spreken over de beoordeling van de bewijswaarde van door een partij overgelegde stukken vermits hij niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt en dit behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. De verwijzing naar een beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een andere zaak doet geen afbreuk aan het voorgaande wat de huidige zaak betreft.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.537-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.537-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.164 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.