id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.191 Rolnummer: A. 232552/XIV-38554 Zaak: Cassatiebeschikking 14191 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 03:31 Fiche Beschikking nr 14.191 van 25 januari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.191 van 25 januari 2021 in de zaak A. 232.552/XIV-38.554 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anne-Sophie Rogghe kantoor houdend te 7712 Herseaux rue de la Citadelle 167 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 244.501 van 20 november 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- In de mate dat verzoeker in het enige middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, moet worden opgemerkt dat de voornoemde beginselen niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker zet XIV-38.554-1/3 overigens niet uiteen op welke wijze de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van deze beginselen zou hebben geschonden.
- Voor zover verzoeker vervolgens aanvoert dat zijn argumentatie met betrekking tot de veiligheidssituatie in Gaza en de machteloosheid van UNWRA in het bestreden arrest is verworpen, terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in vergelijkbare zaken [heeft geoordeeld] dat de beslissingen van het CGVS moeten worden nietigverklaard” en hij daarbij aanklaagt dat “[t]egen alle verwachtingen [in] de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een andere beslissing [heeft] genomen”, moet erop worden gewezen dat verzoeker voorbijgaat aan het gegeven dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent en dat elk verzoek om internationale bescherming individueel moet worden beoordeeld. Een vermeende tegenstrijdigheid tussen het bestreden arrest en andere arresten kan dan ook niet tot de cassatie van het thans bestreden arrest leiden. Voor zover verzoeker de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot zijn argumentatie inzake de veiligheidssituatie in Gaza en de machteloosheid van UNWRA in twijfel trekt, strekt een dergelijke kritiek ertoe de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
- Voorts betoogt verzoeker dat het bestreden arrest niet met redenen is omkleed, hetgeen een schending zou inhouden van de artikelen 39/2 en 39/65 van de Vreemdelingenwet en van artikel 149 van de Grondwet. Met die stelling gaat verzoeker volledig voorbij aan de motieven van het bestreden arrest. Uit het bestreden arrest blijkt immers dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk en ondubbelzinnig de redenen heeft uiteengezet die hem tot de beslissing brengen dat verzoeker moet worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus (overweging 2.3.
- van het bestreden arrest) en de subsidiaire beschermingsstatus (overweging 2.3.
- van het bestreden arrest). Hij heeft in die overwegingen ook specifiek uiteengezet waarom verzoekers argumentatie met betrekking tot de veiligheidssituatie in Gaza niet kan worden aanvaard, waarbij hij zich steunt op de stukken van het dossier. Verder kan worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangevoerde argumenten stuk voor stuk heeft onderzocht en deze uitdrukkelijk heeft beantwoord. De XIV-38.554-2/3 Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dan ook wel degelijk voldaan aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht.
- Ten slotte stelt verzoeker nog dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden. Verzoeker verduidelijkt niet op welke wijze, naar zijn oordeel, de voormelde rechten zouden zijn geschonden. In zoverre kan worden aangenomen dat verzoeker de voorgehouden schending betrekt op de motivering van het bestreden arrest, moet evenwel worden opgemerkt dat uit een louter gebrek in de motivering, geen schending van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces kan worden afgeleid, daargelaten de vaststelling dat verzoekers kritiek op die motivering ongegrond is bevonden.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig januari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.554-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div