← België

Cassatiebeschikking 14211 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.211 Rolnummer: A. 232511/XIV-38549 Zaak: Cassatiebeschikking 14211 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-08 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 03:37 Fiche Beschikking nr 14.211 van 5 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.211 van 5 februari 2021 in de zaak A. 232.511/XIV-38.549 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 243.676 van 5 november 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is aangekomen ter griffie op 6 januari
  3. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. Eerste middel
  5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de verenigde kamers van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 22 september 2020 blijkt dat de XIV-38.549-1/5 verzoekers er zijn verschenen, bijgestaan door hun raadsman, en dat welbepaalde vragen werden gesteld aan de partijen. In het bestreden arrest wordt ook het antwoord van de verzoekers ter terechtzitting op die vragen vermeld. Uit niets blijkt dat de verzoekers ter terechtzitting uitstel hebben gevraagd of enig voorbehoud hebben geformuleerd met betrekking tot het recht van verdediging of het recht op tegenspraak. Het blijkt ook niet dat zij daartoe niet in de mogelijkheid waren. De verzoekers vermogen dit derhalve niet voor de eerste maal op te werpen in de graad van administratieve cassatie.
  6. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk. Tweede middel
  7. De verzoekers stellen in het eerste middelonderdeel dat, “waar in het bestreden arrest wordt beslist dat de verzoekers moeten aantonen dat er geen overheidsbescherming is en [de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] bij gebrek hieraan de aanvraag verwerpt, […] er een onredelijke bewijslast [wordt] opgelegd”. In de door hen voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gaan de verzoekers ervan uit dat volgens het bestreden arrest “de asielzoeker moet aantonen dat er geen overheidsbescherming beschikbaar is en [de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] het verzoek verwerpt louter op basis van het feit dat dit bewijs niet door de asielzoeker werd geleverd”. Hiermee gaan de verzoekers uit van een gebrekkige lezing van het bestreden arrest. De vaststelling in het bestreden arrest dat “een vrees voor de bendes in El Salvador aan de grondslag ligt van het beschermingsonderzoek”, wordt niet betwist. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt, wat die vrees betreft, dat “de algemene context en de macht en invloed van de bendes op de samenleving en de economie in dat land goed voor ogen [moeten] worden gehouden” en hij maakt vervolgens een analyse “op basis van de objectieve landeninformatie die door de partijen ter beschikking wordt gesteld”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet met verwijzing naar meerdere internationale verslagen enerzijds omstandig het optreden en de invloed van de bendes uiteen die “nagenoeg het hele grondgebied bestrijken” en hij zet anderzijds concreet uiteen hoe “de Salvadoraanse staat hard optreedt tegen de bendes”. Hij gaat hierbij ook in op “de corruptie XIV-38.549-2/5 binnen de veiligheidsdiensten en het rechtsbestel” en op andere problemen in de strijd tegen de bendes. Na deze beschrijving neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “een genuanceerd standpunt” in over de argumentatie van de verzoekers “dat er in El Salvador geen overheidsbescherming aanwezig is tegen niet-overheidsactoren van vervolging of ernstige schade”. Hij beschouwt het Salvadoraanse staatsapparaat als “verzwakt en fragiel”, “ondermijnd door corruptie en gebrek aan middelen” doch merkt op dat niettemin in de strijd tegen de bendes “maatregelen [worden] genomen en […] zowel bendeleden als niet- bendeleden ook gerechtelijk [worden] vervolgd en veroordeeld”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat, “voor zover uit de landeninformatie kan blijken dat overheidsbescherming in El Salvador niet in alle gevallen doeltreffend of beschikbaar is, […] evenwel ook niet [kan] worden besloten dat El Salvador moet worden beschouwd als een ‘failed state’ of dat overheidsbescherming tegen bendes totaal afwezig zou zijn”, doch dat dit afhangt van de individuele omstandigheden van de zaak en dat de verzoekers bijgevolg moeten aantonen dat in hun geval geen overheidsbescherming beschikbaar is, waarbij de bewijsstandaard op “laag” moet worden gezet in het licht van de algemene omstandigheden in El Salvador en de individuele omstandigheden van de verzoekers. Anders dan de verzoekers voorhouden, wordt hun verzoek om internationale bescherming niet verworpen, louter op basis van het feit dat zij niet bewijzen dat geen overheidsbescherming aanwezig is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt integendeel zelf aan de hand van de beschikbare landeninformatie of overheidsbescherming in het algemeen mogelijk is tegen de bendes en komt tot een genuanceerd oordeel waarbij hij deze mogelijkheid niet uitsluit. Slechts in tweede instantie onderzoekt hij of de verzoekers een gebrek aan overheidsbescherming aannemelijk maken in hun concreet geval waarbij hij een “lage” bewijsstandaard toepast. Hiermee eist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen negatief bewijs, doch het bewijs van door de verzoekers ingeroepen feiten en omstandigheden, met name dat zij (vruchteloos) hebben getracht bescherming te krijgen of dat zij in de onmogelijkheid waren bescherming te vragen of dat van hen om bepaalde redenen niet kon worden verwacht die bescherming te vragen. De kritiek van de verzoekers mist in die zin feitelijke grondslag. De eerste door de verzoekers voorgestelde prejudiciële vraag, die eveneens uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest, kan derhalve niet leiden tot de oplossing van het geschil. XIV-38.549-3/5
  8. De verzoekers richten zich in het tweede middelonderdeel tegen de beoordeling in het bestreden arrest dat “de stelling dat verzoeker behoort tot een risicocategorie, zoals geïdentificeerd in de UNHCR Guidelines, omdat hij een misdaad heeft aangeklaagd en het onderzoek tot het punt is gekomen waar het bendelid bijna werd opgepakt en hiervan op de hoogte is, […] dan ook niet langer dienstig is”. Zij achten dit tegenstrijdig met de beoordeling dat rekening moet worden gehouden met alle individuele omstandigheden van de zaak en van de verzoekers om na te gaan of overheidsbescherming beschikbaar is. De verzoekers gaan voorbij aan de omstandige en concrete motivering in het bestreden arrest betreffende de identiteitsfraude waarvan eerste verzoeker het slachtoffer zou zijn geweest en het verloop van het onderzoek door de politie en het openbaar ministerie na de door eerste verzoeker ingediende klacht. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maken de verzoekers niet aannemelijk dat de persoon die de identiteitsfraude pleegde op enige wijze werd beschermd door de politie en werd de zaak alleszins actief opgevolgd en onderzocht door het openbaar ministerie en de politie. Ook het relaas van de verzoekers over de problemen die zij nadien zouden hebben ondervonden (bedreigingen door “El Demente” en de voorgehouden gebrekkige medewerking door de politie na aangifte door eerste verzoeker) overtuigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen na omstandig onderzoek niet, zodat hij besluit dat de verzoekers niet aantonen dat in hun geval geen doeltreffende niet-tijdelijke bescherming vanwege de overheid in El Salvador beschikbaar zou zijn noch dat zij daartoe geen toegang zouden hebben. Precies omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het gebrek aan mogelijke bescherming door de overheid te dezen niet aanvaardt, hoefde hij niet verder in te gaan op de stelling van de verzoekers dat zij zouden behoren tot een categorie die dergelijke bescherming nodig zou hebben. Deze motivering is dan ook niet tegenstrijdig. Om dezelfde reden is de dienaangaande door de verzoekers voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil.
  9. In het derde middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat de in het bestreden arrest “uiteengezette elementen […] niet [kunnen] gelden als redelijke maatregelen gezien zij niet kunnen worden beschouwd als maatregelen die de door verzoeker gevreesde feiten zouden kunnen voorkomen noch het risico dat ze zich zouden voordoen kunnen verminderen”. Daarmee vragen de verzoekers in wezen een nieuwe beoordeling ten gronde, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de XIV-38.549-4/5 zaak zelf treedt. De Raad van State vermag dan ook niet zelf te oordelen of deze of gene elementen al dan niet kunnen worden beschouwd als effectieve bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt alleszins de door verzoeker aangevoerde elementen uitvoerig en concreet te hebben onderzocht alvorens tot zijn besluit te komen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook niet aanvaard dat het voorgehouden gebrek aan bescherming blijkt uit het relaas van de verzoekers. Een onvolledig onderzoek door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt alleszins niet uit het feit dat de verzoekers een andere mening hebben over (het gebrek aan) mogelijke bescherming door de overheid. Bijgevolg is ook de wat dit aspect betreft voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil.
  10. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  12. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op * februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.549-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.211 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.