← België

Cassatiebeschikking 14212 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.212 Rolnummer: A. 232565/XIV-38556 Zaak: Cassatiebeschikking 14212 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-16 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 03:38 Fiche Beschikking nr 14.212 van 8 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.212 van 8 februari 2021 in de zaak A. 232.565/XIV-38.556 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rosalie Daneels kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 245.370 van 2 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekster richt zich in het eerste onderdeel van het enige middel tegen de overweging in het bestreden arrest dat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van artikel 57/6, § 1, 8°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en XIV-38.556-1/3 de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) haar als staatloze een bewijs van identiteit zou kunnen verstrekken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “Uit [artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet] volgt duidelijk dat de aanvrager een geldig identiteitsdocument dient voor te leggen. Er wordt vastgesteld dat enkel het vonnis (sic) van 20 november 2018 werd voorgelegd aan de hand waarvan verzoekster niet kan worden geïdentificeerd. In de mate verzoekster aanvoert dat het arrest van het Hof van Beroep te Brussel dient te worden beschouwd als een geldig identiteitsdocument in de zin van deze bepaling, kan zij niet worden bijgetreden. Zij haalt geen enkele rechtsregel aan waaruit zou blijken dat een dergelijk arrest als een geldig identiteitsdocument zou moeten worden beschouwd, daargelaten nog dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen […] niet inziet op welke wijze het arrest als dusdanig zou toelaten de fysieke band met verzoekster vast te stellen. Voorts blijkt uit de lezing van het arrest van het Hof van Beroep dat verzoekster daar wel degelijk een aantal bewijsstukken neerlegde aan de hand waarvan het Hof de identiteit als bewezen heeft verklaard. Er wordt door verzoekster niet betwist dat zij in het kader van de huidige aanvraag enkel het arrest van het Hof van Beroep voorlegde, zonder verdere stukken ten bewijze van haar identiteit.” Verzoekster betwist niet de vaststelling dat zij een identiteitsdocument diende over te leggen en dat zij enkel het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 november 2018 (waarmee M.I. werd erkend als staatloze) heeft overgelegd, doch dat daaruit niet de fysieke band met verzoekster zelf blijkt. De voornoemde vaststellingen volstonden om verzoeksters beroep tot nietigverklaring te verwerpen. In het licht daarvan vormt de overweging dat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen documenten “kan” verstrekken en dat niet blijkt dat verzoekster “een poging heeft ondernomen om een bewijs van identiteit te verkrijgen via het commissariaat-generaal” een overtollig motief dat, al ware het onwettig, de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed. Er volgt immers niet uit dat verzoekster zich volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het commissariaat-generaal “moest” richten noch dat enkel het commissariaat-generaal een bewijs van verzoeksters identiteit zou kunnen verstrekken. Verzoekster gaat ook voorbij aan de overweging in het bestreden arrest dat zij in de procedure voor het hof van beroep om te worden erkend als staatloze wel een aantal stukken heeft overlegd om haar identiteit te bewijzen, die zij niet heeft gevoegd bij de aanvraag tot gezinshereniging die tot het bestreden arrest heeft geleid. XIV-38.556-2/3
  2. Verzoekster voert in het tweede onderdeel van het enige middel aan dat “het CGVS” artikel 57/6, § 1, 8°, van de vreemdelingenwet schendt. Zij richt zich daarmee niet tegen het bestreden arrest, daargelaten hetgeen supra bij de behandeling van het eerste middelonderdeel is gesteld.
  3. Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt ook de niet-ontvankelijkheid van de kritiek in het derde middelonderdeel. Overigens wordt in het bestreden arrest niet gesteld dat verzoekster – uitsluitend – met het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen contact “moest” opnemen om een identiteitsdocument te kunnen overleggen. In die mate mist verzoeksters kritiek ook feitelijke grondslag.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.556-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.212 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.