id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.217 Rolnummer: A. 232514/IX-9819 Zaak: Cassatiebeschikking 14217 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 08/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-08 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 03:38 Fiche Beschikking nr 14.217 van 8 februari 2021 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 14.217 van 8 februari 2021 in de zaak A. 232.514/IX-9819 In zake : Cyrille SELLENRAAD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charles Buytaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 18 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 6070 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen van 16 november 2020. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toela- ting, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973 en bij de artikelen 7 tot 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 19 januari 2021. IX-9819-1/5 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. De toelaatbaarheid 3. Verzoekster voert een enig middel aan, dat luidt: “Geschonden bepalingen - Artikel 149 van de Grondwet - materiële motiveringsplicht - Zor[g]vuldigheidsbeginsel - Het verbod van willekeur - Redelijkheidsbeginsel.” Verzoekster acht die bepaling en beginselen geschonden om de volgende redenen: “2. In onderhavig geval voerde Verzoekende Partij in haar verweer voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbetwistingen [lees: stu- dievoortgangsbeslissingen] in essentie en naar relevantie aan dat: - Er geen individuele afweging werd gemaakt van de nefaste ge- volgen van de Covid-19 crisis op het studietraject en de studiemo- gelijkheden van verzoekende partij; - Niet minder dan zes familieleden verloren heeft in de afgelopen jaren waardoor zij geïsoleerd in het leven staat; - De cijferhistoriek van verzoekende partij werd door de onder- wijsinstelling louter beoordeeld op basis van de negatieve cijfers die doorgaans slechts nipte onvoldoendes betroffen terwijl de posi- tieve cijfers die verzoekende partij behaalde doorgaans boven het gemiddelde lagen; - Zij reeds jarenlang kampt met een ernstig hersentrauma waarmee geen rekening werd gehouden. 3. De bestreden beslissing stelt in wezen dat: (
- i)er geen rekening zou kunnen worden gehouden met de medi- sche attesten die verzoekende partij heeft neergelegd nu die pas laattijdig zouden tussengekomen zijn; (
- ii)de Covid-19 problematiek zoals algemeen beoordeeld door de interne beroepsinstantie geen aanleiding kunnen geven tot een her- ziening; (iii) de negatieve cijfers inderdaad determinerend zijn; (
- iv)verzoekende partij zelf rekening had moeten houden met de IX-9819-2/5 gevolgen van haar persoonlijk en medisch leven in haar studietra- ject. Dergelijke motivering is niet deugdelijk alsook onzorgvuldig, en manifest onredelijk. Bovendien is zij willekeurig nu zij niet correct de belangen afweegt om tot haar besluit te komen. Er kan aan verzoekende partij niet worden verweten dat de medische ver- slagen laattijdig zouden zijn geweest. De problematiek van het hersen- trauma van verzoekende partij is immers vaststaand en beyond argument. Minstens had de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen de medische attesten in overweging moeten nemen in haar beoor- deling. Wat betreft de Covid-19 problematiek dient deze geval per geval te worden beoordeeld. Alle omstandigheden in acht genomen diende er in het geval van verzoekende partij een ‘time out’ te worden toegepast nu de Covid-19 crisis een nefaste impact heeft op de studiemogelijkheden van verzoekende partij nu zij als medisch patiënt die geïsoleerd in het leven staat niet binnen een algemeen vergelijkingskader kan worden geplaatst. Verder kan er aan verzoekende partij geen verwijt worden gemaakt dat zij zelf de gevolgen dient te dragen van haar persoonlijke problemen op haar studietraject. Zulks is manifest onredelijk. Hetzelfde geldt voor het niet in overweging nemen van de positieve resultaten die steeds dienen te vigeren op de negatieve resultaten die slechts nipte onvoldoendes betroffen. De bestreden beslissing baseert zich met andere woorden op verkeerde feitelijke omstandigheden door met de reële en actuele feitelijke omstan- digheden geen rekening te houden. Bovendien baseert zij haar beslissing niet op alle gegevens die voorradig zijn in het dossier, minstens behoudt zij er een verkeerde dan wel gesolliciteerde lezing op na. Zij maakt dan ook een onevenwichtige oefening van alle belangen en gegevens in de voorliggende zaak waardoor haar beslissing willekeurig is, minstens daar- naar neigt en onredelijk is door alle omstandigheden in acht genomen de studievoortgangsweigering te bevestigen.” 4. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is geen orgaan van het actief bestuur, maar een administratief rechtscollege. Het bestreden arrest is geen administratieve rechtshandeling en op het rechtscollege zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing. Voor zover het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het ken- nelijk naar recht. 5. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van het lagere rechtscollege over- doen maar mag hij enkel nagaan of de hem voorgelegde beslissing van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen overeenkomstig de wet is IX-9819-3/5 genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling Bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Voor zover verzoekster met het aangevoerde middel de Raad van State uitnodigt om de beoordeling van de zaak over te doen en zij het arrest verwijt uit te gaan van “verkeerde feitelijke omstandigheden”, gaat zij uit van het tegendeel en faalt het middel eveneens kennelijk naar recht. 6. Verzoekster vergist zich over de draagwijdte van de in het mid- del geschonden genoemde jurisdictionele motiveringsplicht (artikel 149 van de Grondwet). De jurisdictionele motiveringsplicht heeft immers het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de jurisdictionele motiveringsplicht is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van de jurisdictionele motiveringsplicht. Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het kennelijk naar recht. 7. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt ook in dat het rechtscollege moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden doch worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. IX-9819-4/5 Verzoekster somt vier punten van haar “verweer voor de Raad” op en geeft zelf aan wat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbe- slissingen hierop volgens haar “in wezen” heeft geantwoord. Verzoekster kan zich niet vinden in dit antwoord. Het middel waarin als motiveringstekort echter een gebrek aan antwoord op de aan de bodemrechter voorgelegde argumentatie wordt opgeworpen, is onontvankelijk nu het nalaat precies te vermelden op welk argument niet werd geantwoord. 8. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet vol- doet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. B E S L I S S I N G: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe- roep, begroot op 200 euro. Aldus te Brussel verleend, op 8 februari tweeduizend eenentwintig, door: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9819-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div