← België

Cassatiebeschikking 14232 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.232 Rolnummer: A. 232503/XIV-38548 Zaak: Cassatiebeschikking 14232 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-14 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 03:47 Fiche Beschikking nr 14.232 van 26 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.232 van 26 februari 2021 in de zaak A. 232.503/XIV-38.548 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Marchand en Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 243.874 van 10 november 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Het Europees Hof voor de Rechten van de mens heeft in § 76 van zijn arrest van 18 juli 2018 in de zaak X. tegen Nederland benadrukt dat voor de vraag of een vreemdeling bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele XIV-38.548-1/5 Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), niet van belang is dat hij bij terugkeer zal worden gemonitord, gearresteerd en of verhoord, of zelfs veroordeeld door de Marokkaanse autoriteiten, omdat dit op zichzelf geen schending oplevert van artikel 3 van het het EVRM. Van belang is volgens het EHRM of een vreemdeling een reëel risico loopt op foltering of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. In § 77 overweegt het EHRM dat in Marokko geen sprake is van een algemene en systematische praktijk van foltering en mishandeling tijdens verhoor en detentie. Het is daarom aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar Marokko, wegens persoonlijke omstandigheden, een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Verder heeft het EHRM in § 80 van het voornoemde arrest overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat Marokko het beginsel van ne bis in idem niet respecteert. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve artikel 3 van het EVRM niet geschonden door zich aan te sluiten bij de overweging in de aanvankelijk bestreden beslissing dat dient te worden beoordeeld of, rekening houdend met zijn individuele situatie, een terugkeer naar Marokko verzoeker persoonlijk zou blootstellen aan een risico op schending van het EVRM, met dien verstande dat verzoeker aanwijzingen in die zin moet geven en, om te beginnen, op zijn minst aanwijzingen dat hij belangstelling zou wekken bij de Marokkaanse autoriteiten. Anders dan verzoeker thans voorhoudt, worden van hem in het bestreden arrest dus “aanwijzingen” gevraagd en geen “sluitende bewijzen”.
  3. Verzoeker verwijst naar de door hem aangehaalde elementen dat hij gekend is als zijnde betrokken in een terroristische zaak, dat een andere beklaagde in zijn strafrechtelijke zaak werd veroordeeld in Marokko voor dezelfde feiten waarbij er aanwijzingen zijn van handelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en dat zijn schoonbroer B.E.I., die in België voor dezelfde zaak werd veroordeeld, opnieuw werd aangehouden en ondervraagd voor dezelfde feiten in Marokko. Verzoeker beperkt zich hierbij tot een algemene verwijzing waarbij hij voorbijgaat aan de omstandige en concrete beoordeling van deze elementen in punt 2.7.3.3 van het bestreden arrest. Hij toont dan ook geen schending aan van artikel 3 van het EVRM, gelezen samen met de artikelen 48/3, 48/4 en 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). XIV-38.548-2/5
  4. Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
  5. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen zijn uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus aangevoerd dat de feiten waarvoor hij (meermaals) werd veroordeeld geen “ernstig misdrijf” zouden vormen zoals uiteengezet in de Guidelines van het UNHCR. Hij heeft tevens een aantal elementen aangevoerd en aangevoerd dat “deze elementen spreken tegen het feit dat de eiser nog actueel een gevaar zou vormen voor de maatschappij, zodat de toepassing van artikel 52/4 van de vreemdelingenwet een onevenredige toepassing zou vormen”. In de mate dat verzoeker een schending van de door hem aangehaalde Guidelines van het UNHCR opwerpt, dient te worden opgemerkt dat deze geen bindende kracht hebben in het Belgische recht zodat hij een schending ervan niet op ontvankelijke wijze kan inroepen. Met het bestreden arrest is, in navolging van de aanvankelijk bestreden beslissing, verzoeker niet uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 54/2 van de vreemdelingenwet doch op grond van artikel 55/4, § 1, c), van die wet, namelijk omdat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht op wettige wijze hierop te wijzen. Verder maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.8.3 een ellenlange opsomming van de door verzoeker opgelopen strafrechtelijke veroordelingen in België, waarbij hij onder meer de “volgehouden criminele ingesteldheid” citeert, het “gewelddadig karakter van de feiten”, de “bijzondere ernst van de feiten”, de “wettelijke herhaling”, de “ongebreidelde brutaliteit waarmede de slagen zijn gepleegd” enz. Ook geeft de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen aan dat de door verzoeker aangehaalde elementen (hij zou sinds 2011 geen strafbare feiten meer hebben gepleegd, ondertussen gehuwd zijn, uitkijken naar een nieuw leven en veel spijt hebben van zijn “stommiteiten”) niets afdoen aan de ernst van de misdrijven en geen afbreuk doen aan het voorgaande. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan niet worden betwijfeld dat verzoeker een ernstig misdrijf heeft gepleegd en volstaat dit voor de toepassing van artikel 55/4, § 1, c), van de vreemdelingenwet. XIV-38.548-3/5
  6. Het gepleegd hebben van een ernstig misdrijf volstaat voor de uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus. Dit vormt een afzonderlijke uitsluitingsgrond, zowel in artikel 55/4, § 1, van de vreemdelingenwet als in artikel 17.1 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95), zonder dat de aangevoerde elementen moeten worden onderzocht of de betrokkene nog een actueel gevaar vormt voor de gemeenschap of de veiligheid van de lidstaat waarin hij zich bevindt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 13 september 2018 in de zaak C-369-17, Shajin tegen Hongarije, geoordeeld dat moet worden onderzocht of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de daden van de betrokkene, die voor het overige voldoet aan de criteria om de gevraagde status te krijgen, onder de desbetreffende uitsluitingsgrond vallen en dat de ernst van het misdrijf op grond waarvan een persoon kan worden uitgesloten van subsidiaire bescherming, wordt beoordeeld aan de hand van meerdere criteria, waaronder de aard van het gepleegde feit, de schade die is teweeggebracht, de gevolgde strafprocedure, de aard van de straf en het rekening houden met de vraag of de meeste rechterlijke instanties het gepleegde feit ook aanmerken als een ernstig misdrijf. Een concreet onderzoek of het daadwerkelijk om een ernstig misdrijf gaat, en dit niet uitsluitend op basis van de straf die op een bepaald misdrijf is gesteld, volstaat derhalve. Uit de voornoemde motivering van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit onderzoek heeft gevoerd en tot deze conclusie is gekomen. Gezien de duidelijke inhoud van artikel 17.1 van richtlijn 2011/95 en van het voornoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient niet te worden ingegaan op het verzoek dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen.
  7. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.548-4/5
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.548-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.