id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.233 Rolnummer: A. 232599/XIV-38559 Zaak: Cassatiebeschikking 14233 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 03:47 Fiche Beschikking nr 14.233 van 26 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.é van 26 februari 2021 in de zaak A. 232.599/XIV-38.559 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Suzanne Van Rossem kantoor houdend te 2060 Antwerpen Violetstraat 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 243.976 van 13 november 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Naar luid van artikel 39/57, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) worden de in artikel 39/2 van die wet bedoelde beroepen ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze zijn gericht”. De verzending van XIV-38.559-1/3 de voornoemde kennisgeving met een ter post aangetekende brief naar de betrokkene volstaat echter niet, het is ook vereist dat de betrokkene in de mogelijkheid verkeert er kennis van te nemen. Verzoeker houdt voor dat hij “in het verleden meermaals problemen [heeft] gekend bij het ontvangen van zijn briefwisseling”. Hij noemt het “een gekend fenomeen dat de postbode geen bewijs van aangetekende zending achterlaat op een bepaald adres” en acht het “zeer duidelijk” dat hij het nodige heeft gedaan om zijn annulatieberoep tijdig in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uit het door verzoeker overgelegde stuk blijkt dat de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de beslissing van de minister van Asiel en Migratie van 3 juni 2020 op 22 juni 2020 werd gestuurd naar het adres waar verzoeker op dat ogenblik was ingeschreven. Uit dat stuk blijkt nog dat deze brief op 23 juni 2020 bij de bestemmeling werd aangeboden, met achterlating van een bericht. Vervolgens blijkt dat deze brief pas op 7 juli 2020 werd afgehaald. Verzoeker beperkt zich tot algemene beweringen maar toont niet aan dat de voornoemde op 22 juni 2020 verstuurde brief hem niet regelmatig zou zijn bezorgd en dat hij er niet tijdig van kennis zou hebben kunnen nemen. Dat de brief pas werd afgehaald op 7 juli 2020, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Er blijkt dan ook niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 39/57 van de vreemdelingenwet heeft geschonden door met het bestreden arrest verzoekers beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren als zijnde laattijdig ingesteld. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.559-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.559-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.233 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div