id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.234 Rolnummer: A. 232650/XIV-38564 Zaak: Cassatiebeschikking 14234 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-10 03:47 Fiche Beschikking nr 14.234 van 26 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.234 van 26 februari 2021 in de zaak A. 232.650/XIV-38.564 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 245.142 van 30 november 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van Stateen van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- 1.
- Verzoeker acht artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) vervatte formelemotiveringsplicht geschonden omdat in het XIV-38.564-1/9 bestreden arrest wordt aanvaard dat de verwijzing in het verslag van de ambtenaar- geneesheer van 4 mei 2020 naar MedCOI document nr. 13516 en de bijlage 2 volstaat om te voldoen aan de voornoemde bepalingen. 1.
- Artikel 62 van de vreemdelingenwet bepaalt dat de administratieve beslissingen met redenen worden omkleed en dat ze de feiten vermelden die deze beslissingen rechtvaardigen. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formelemotiveringsplicht vereist niet dat de overheid specificeert wat de gronden van haar motieven zijn. Aan de formele motiveringsplicht kan worden voldaan door een verwijzing naar een advies, op voorwaarde dat de inhoud van het advies waarnaar wordt verwezen aan de rechtszoekende ter kennis is gebracht, dat dit advies zelf afdoende is gemotiveerd, dat het wordt bijgevallen in de uiteindelijke beslissing en dat er geen tegenstrijdige adviezen zijn. 1.
- Uit het dossier van de zaak blijkt dat de aanvankelijk bestreden beslissing waarmee de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, is gesteund op en verwijst naar het verslag van de ambtenaar-geneesheer van 4 mei
- Betreffende de beschikbaarheid van de zorgen en van de opvolging in het land van herkomst, stelt de ambtenaar-geneesheer het volgende in dit advies: “Er werd gebruik gemaakt van de volgende bronnen (deze informatie werd toegevoegd aan het administratief dossier van de betrokkene): XIV-38.564-2/9
- Informatie afkomstig uit de MedCOI-databank die niet-publiek is Aanvraag Medcoi van 14-4-2020 met het unieke referentienummer 13516 Toont aan dat de volledige omkadering dooreen psychiater, psycholoog, opnamemogelijkheden en lang verblijf beschikbaar zijn in het thuisland:
- In bijlage 2 wordt de beschikbaarheid van de medicatie aangetoond: Clomipramide, Valproaat, Fenofibraat, L-Thyroxine, Pantoprazole, Quetiapine, Clonazepam, Simvastatine, Diclofenac als gel en Olanzapine (maar niet als depotpreparaat zijn beschikbaar. Uit deze informatie kan geconcludeerd worden dat de zorg, een man van heden 44 jaar, afkomstig uit Algerije, beschikbaar is in het thuisland. Vanuit het oogpunt van beschikbaarheid is er geen tegenindicatie tot terugkeer naar het thuisland.” 1.
- Verzoeker voert aan dat de betreffende MedCOI-documenten waarnaar de ambtenaar-geneesheer verwijst zich niet in het administratief dossier bevonden en niet bij de aanvankelijk bestreden beslissing waren gevoegd. Opdat voldaan zou zijn aan de voorwaarden voor motivering door verwijzing moet dienvolgens in het medisch verslag zelf de inhoud van die documenten kenbaar zijn gemaakt en dit is volgens verzoeker in casu niet het geval daar enkel de conclusie van de ambtenaar-geneesheer wordt weergegeven, die niet toelaat te begrijpen waarom de arts-adviseur van mening is dat de informatie in de MedCOI-documenten aantoont dat de nodige zorgen beschikbaar zijn. 1.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent in het bestreden arrest dat de MedCOI stukken waarnaar wordt verwezen in het medisch advies niet aan het administratief dossier werden toegevoegd. Hij wijst er echter op dat een motivering door verwijzing toelaatbaar is op voorwaarde dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het stuk waarnaar wordt verwezen en dit ten laatste samen met de eindbeslissing, hetgeen echter niet inhoudt dat het stuk steeds bij de beslissing als bijlage moet worden gevoegd. Het volstaat dat de stukken waarnaar wordt verwezen (in casu de MedCOI-documenten) in de beslissing (het medisch advies) worden vermeld en dat in het kort het voorwerp en de inhoud van deze MedCOI-documenten wordt vermeld. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geheel terecht dat de uit de MedCOI-documenten afkomstige informatie wel degelijk wordt weergegeven of minstens samengevat in het medisch verslag. Het medisch verslag bestaat inderdaad geenszins louter uit de conclusie van de ambtenaar-geneesheer dat bepaalde medicatie en andere vormen van hulp beschikbaar zijn, zoals verzoeker beweert. Er wordt duidelijk uiteengezet welke informatie de ambtenaar-geneesheer uit de MedCOI-documenten heeft afgeleid, namelijk dat de volledige omkadering door een psychiater, psycholoog, opnamemogelijkheden en lang verblijf beschikbaar zijn in het land van herkomst en voorts XIV-38.564-3/9 dat de medicatie Clomipramide, Valproaat, Fenofibraat, L-Thyroxine, Pantoprazole, Quetiapine, Clonazepam, Simvastatine, Diclofenac als gel en Olanzapine (maar niet als depotpreparaat) beschikbaar zijn. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht. De gronden van de motieven moeten niet kenbaar worden gemaakt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vervolgens ook terecht dat verzoeker zich tegen deze vaststellingen kon verweren door gebruik te maken van eigen informatiebronnen, dat het loutere gegeven dat de MedCOI-documenten niet toegankelijk zijn voor het publiek en in casu niet aanwezig waren in de stukken van het administratief dossier geen afbreuk doet aan die conclusie, en dat verzoeker niet aantoont belangenschade te hebben geleden nu het ontbreken van deze stukken in het administratief dossier hem niet heeft belet om de vaststellingen van de arts-adviseur dat zijn medische problematiek adequaat kan worden behandeld en opgevolgd in Algerije te betwisten in het tweede onderdeel van het middel. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van de inhoud van artikel 62 van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 oordelen dat aan de door de formelemotiveringsplicht gestelde vereisten voor een motivering door verwijzing was voldaan vermits de concrete inhoud van de MedCOI-documenten in het advies van de ambtenaar-geneesheer van 4 mei 2020 was opgenomen. Hij stelt terecht dat verzoeker niet duidelijk maakt op welk punt de motivering van de bestreden beslissing in samenlezing met het advies van de ambtenaar-geneesheer hem niet in staat stelt om te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formelemotiveringsplicht. 1.
- Verzoeker toont ook geen schending van het recht van verdediging aan. Hij beweert ten onrechte dat hij in het duister zou tasten op welke informatie de arts- adviseur zich baseerde om tot de conclusie te komende dat de nodige zorgen beschikbaar zijn in het land van herkomst. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, wordt dit heel concreet verduidelijkt in het verslag van de ambtenaar-geneesheer van 4 mei
- Eveneens stelt verzoeker ten onrechte dat hij hierover geen middel kon ontwikkelen in het verzoekschrift tot nietigverklaring van de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoeker blijkt dit immers wel te hebben gedaan in het tweede onderdeel van het enige middel gericht tegen de aanvankelijk bestreden beslissing dat, anders dan hij beweert, niet louter gaat over de toegankelijkheid van de nodige zorgen maar ook over de beschikbaarheid ervan. Verzoeker voert in het tweede onderdeel van het middel namelijk aan dat er sprake is van een problematische XIV-38.564-4/9 beschikbaarheid van de nodige zorgen doordat er sprake zou zijn van terugkerende tekorten aan medicatie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest dan ook terecht overwogen dat verzoeker niet aantoont belangenschade te hebben geleden nu het ontbreken van de MedCOI-documenten in het administratief dossier hem niet heeft belet om de vaststellingen van de arts-adviseur dat zijn medische problematiek adequaat kan worden behandeld en opgevolgd in Algerije te betwisten in het tweede onderdeel van het middel.
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring van de aanvankelijk bestreden beslissing klaagt verzoeker in het derde onderdeel van het middel onder meer aan dat het MedCOI-document BDA-6541 gebaseerd is op een artikel van Z. Benmebarek uit 2017, dat op zijn beurt gebaseerd is op twee bronnen van F. Kacha van vijftien en tien jaar oud. Verzoeker is van oordeel dat op basis van die gedateerde bronnen onmogelijk kan worden besloten dat actueel de nodige medicatie voor hem voorhanden is in Algerije. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt daarover in het bestreden arrest dat de arts-adviseur de betreffende informatie opvroeg op 23 mei 2017 en dat de respondent de vraag heeft beantwoord op 5 juli 2017, zodat dit de voor de informatie relevante datum is. Die stelling is terecht. De opgevraagde informatie vervat in het MedCOI- document BDA-6541 wordt geacht geldig te zijn op die datum. Verzoeker toont niet aan dat de bewijskracht van de stukken, artikel 9ter van de vreemdelingenwet en artikel 3 EVRM werden miskend.
- Verzoeker klaagt voorts aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest zijn kritiek omtrent de beschikbaarheid van gratis psychiatrische zorg niet afdoende zou hebben beantwoord. Volgens verzoeker beperkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich tot de stelling dat de informatie over gratis psychiatrische zorg niet terug te vinden is in het MedCOI-document BDA-6541 waarop verzoeker in het verzoekschrift kritiek levert, maar in het MedCOI-document BDA- 6807 van 8 mei 2018 dat verzoeker dan weer onbesproken laat. Verzoeker verduidelijkt dat de verwijzing naar het MedCOI-document BDA-6541 in het verzoekschrift een materiële vergissing betreft en dat hij MedCOI-document BDA-6807 bedoelde, maar dat zijn kritiek omtrent de gedateerde bronnen waarop het artikel van Z. Benmebarek gebaseerd is en dat de basis vormt voor het MedCOI-document BDA-6807 overeind blijft en niet is beantwoord. XIV-38.564-5/9 In het vierde onderdeel van het middel gericht tegen de aanvankelijk bestreden beslissing argumenteert verzoeker dat hij nood heeft aan een langdurige opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Uit het WHO rapport ‘Mental health atlas 2011, Algeria’ blijkt, aldus verzoeker, dat er een groot tekort is aan beschikbare bedden en dat er niemand langer dan één jaar wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Verzoeker bekritiseert de stelling van de verwerende partij dat het voornoemde WHO rapport een algemene en gedateerde bron betreft en hij stelt dat het rapport niet ouder is dan de MedCOI-documenten waarop de ambtenaar-geneesheer zich baseert voor de stelling dat de Algerijnse overheid gratis psychiatrische zorg aanbiedt. Volgens verzoeker is deze stelling afkomstig uit MedCOI-document BDA-6541, dat gesteund is op een artikel van Z. Benmebarek uit februari 2017 dat op zijn beurt steunt op geheel verouderde bronnen (van vijftien en tien jaar oud). De bronnen van de verwerende partij die zouden moeten aantonen dat verzoeker langdurig kan worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis zijn, aldus verzoeker, volledig gedateerd en op basis daarvan kan niet worden besloten dat actueel de nodige zorgen beschikbaar en toegankelijk zijn. De enige andere bron van de verwerende partij die moet aantonen dat verzoeker gratis kan worden opgenomen in een ziekenhuis betreft een anonieme bron. In het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie als volgt beantwoord: “Vooreerst merkt de Raad op dat de arts-adviseur weldegelijk rekening heeft gehouden met het door verzoeker bijgebrachte rapport van het WHO doch heeft geoordeeld dat deze informatie te algemeen is en gedateerd. Waar verzoeker meent dat zijn rapport niet ouder is dan de MedCOI-documenten waarop de arts-adviseur zich baseert, kan hij niet worden gevolgd. De Raad herhaalt dat wat het MedCOI-document BDA-6541 betreft de arts-adviseur de informatie opvroeg op 23 mei 2017 en de respondent zijn vraag heeft beantwoord op 5 juli
- Deze datum is aldus de voor de informatie waarop de arts- adviseur zich heeft gebaseerd, de relevante datum. Verzoeker stelt dat de arts-adviseur beroep heeft gedaan op slechts één anonieme bron om te concluderen dat hij gratis kan worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en dat dit niet volstaat om de geloofwaardigheid van een feit in te schatten. Los van de vraag of de informatie afkomstig van de MedCOI-databank slechts door één enkele anonieme bron zou zijn verstrekt, merkt de Raad op dat verzoeker verder ook niet het tegendeel aantoont en hij niet gratis kan worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Bovendien blijkt uit de lezing van het medisch advies dat de vaststelling dat de meeste psychotrope medicatie gratis beschikbaar is voor mensen die lijden aan een chronische mentale aandoening en dat de Algerijnse overheid gratis psychiatrische zorg aanbiedt, in weerwil van verzoekers betoog, is afgeleid uit het MedCOI-document BDA -6807 van 8 mei
- Verzoeker houdt doorheen het middel vol dat de informatie over de gratis medische zorgen afkomstig zou zijn van het MedCOI-document BDA -6541 en bekritiseert vervolgens dit document, evenwel XIV-38.564-6/9 blijkt uit het medisch advies dat de arts-adviseur uitdrukkelijk naar het andere MedCOI-document (BDA -6807 van 8 mei 2018) verwijst dat verzoeker onbesproken laat.” Uit de voormelde overwegingen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voormelde door verzoeker in het vierde onderdeel van het middel aangevoerde kritiek volledig en afdoende heeft beantwoord. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen legt uit waarom hij verzoekers stelling niet aanvaardt dat de MedCOI-documenten waarop de ambtenaar-geneesheer zich baseert ouder zijn dan het WHO rapport waarnaar verzoeker verwijst en hij wijst erop dat verzoeker ook niet aantoont dat hij niet gratis zou kunnen worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet aldus duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen die hem ertoe brengen verzoekers kritiek op de stelling dat de Algerijnse overheid gratis psychiatrische gezondheidszorg aanbiedt, te verwerpen. Hiermee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoeker kan het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarbij niet ten kwade duiden dat hij overweegt dat verzoeker kritiek uit op het MedCOI-document BDA-6541 terwijl de vaststelling dat de meeste psychotrope medicatie gratis beschikbaar is voor mensen die lijden aan een chronische mentale aandoening en dat de Algerijnse overheid gratis psychiatrische zorg aanbiedt, steunt op MedCOI-document BDA-6807 dat verzoeker onbesproken laat. Verzoeker moet immers met de nodige precisie zijn grieven aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kenbaar maken en hij kan er niet omheen dat hij in het verzoekschrift inderdaad zijn kritiek gericht heeft op MedCOI-document BDA-
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verzoekers argument, dat hij niet in aanmerking komt voor de AFS-uitkering omdat hij niet mentaal gehandicapt is, in het bestreden arrest als volgt beantwoord: “Het medisch advies is op dit punt als volgt gemotiveerd: ‘Voor mensen zonder middelen, die niet kunnen werken omwille van hun leeftijd, medische toestand of persoonlijke situatie, bestaat er de AFS-uitkering (‘allocation forfaitaire de solidarité’). Begunstigden van AFS ontvangen een maandelijkse uitkering van DZD
- Aan personen die minimaal 18 jaar oud zijn en een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100% hebben, wordt DZD 4000 toegekend (1 Algerijnse Dinar = 0,0071 euro).’ De arts-adviseur stelt aldus dat mensen, zonder middelen en die niet kunnen werken omwille van hun ‘medische toestand’ beroep kunnen doen op een AFS-uitkering. Hij verwijst naar voetnoot 3 waaruit blijkt dat hij deze informatie heeft gehaald uit het MedCOI-document BDA -6807 van 8 mei
- Verzoeker citeert uit het MedCOI- document BDA-6541 maar ook uit dit citaat blijkt dat de AFS-uitkering bedoeld is XIV-38.564-7/9 voor mensen zonder middelen en die niet kunnen werken omwille van hun medische toestand. Ondergeschikt merkt de Raad nog op dat verzoeker er niet in geslaagd is te weerleggen dat de meeste psychotropische medicatie gratis beschikbaar is voor mensen die lijden aan een chronische mentale aandoening en dat de Algerijnse overheid gratis psychiatrische zorgen aanbiedt. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de gratis aangeboden medicatie en zorgen niet volstaan.” Anders dan verzoeker beweert, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dat het citaat uit het MedCOI-document BDA-6541 waarnaar verzoeker in zijn verzoekschrift verwijst niet relevant is, maar wel dat ook uit het aangehaalde citaat uit dat document blijkt dat de AFS-uitkering bedoeld is voor mensen zonder middelen die niet kunnen werken omwille van hun medische toestand. Met de voormelde overweging schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de bewijskracht van het MedCOI-document BDA-
- De bewijskracht van een document is slechts miskend indien de uitlegging die de rechter eraan geeft volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Welnu, in het MedCOI-document BDA-6541 kan worden gelezen dat de AFS toelage bedoeld is voor mensen zonder middelen die niet kunnen werken omwille van hun leeftijd, medische toestand of persoonlijke situatie. Bij medische toestand wordt onder meer aangehaald dat het kan gaan over een mentale of fysieke handicap, blindheid of chronische ziekte. Uit niets blijkt echter dat dit de enige gevallen zijn waarin aan mensen zonder middelen die niet kunnen werken omwille van hun medische toestand een AFS-uitkering wordt toegekend en dat personen met zware psychische problemen, zoals verzoeker, hiervoor niet in aanmerking komen. Ten onrechte stelt verzoeker ook dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou hebben geantwoord op het in ondergeschikte orde aangevoerde argument dat zelfs indien hij zich zou kunnen aansluiten bij het CNAC slechts 80% van zijn kosten gedekt worden door deze zorgkas en dat hij onmogelijk kan instaan voor de overige 20%. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers dat de ambtenaar-geneesheer van oordeel is dat verzoeker beroep kan doen op een AFS-uitkering en stelt vast dat verzoeker er niet in slaagt dit te weerleggen. Daarbij merkt de Raad ondergeschikt ook nog op dat verzoeker er niet in geslaagd is te weerleggen dat de meeste psychotropische medicatie gratis beschikbaar is voor mensen die lijden aan een chronische mentale aandoening en dat de Algerijnse overheid gratis psychiatrische zorgen aanbiedt en XIV-38.564-8/9 hij wijst erop dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de gratis aangeboden medicatie en zorgen niet volstaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet aldus duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen die hem ertoe brengen om verzoekers argumentatie aangevoerd in het vijfde onderdeel van het enige middel niet te aanvaarden, zodat op dit punt is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. Voor zover verzoeker in het kader van het voorliggende cassatieberoep de juistheid van die beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in twijfel trekt, weze opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet gerechtigd is om deze beoordeling over te doen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het in elk geval niet relevant of de aangehaalde motieven in rechte of in feite juist zijn.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.564-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.234 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div