← België

Cassatiebeschikking 14235 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.235 Rolnummer: A. 232715/XIV-38571 Zaak: Cassatiebeschikking 14235 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-10 03:47 Fiche Beschikking nr 14.235 van 26 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.235 van 26 februari 2021 in de zaak A. 232.715/XIV-38.571 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX
  3. XXXXX
  4. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 januari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 245.982 van 10 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is aangekomen ter griffie op 27 januari
  5. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. De verzoekers richten zich eerst tegen de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie in de wijk waar zij voor hun vertrek woonden, met name de XIV-38.571-1/5 vraag of deze al dan niet kan volstaan om aan te tonen dat zij er persoonlijk worden vervolgd of bedreigd. Hierbij gaan de verzoekers echter uit van een verkeerde lezing van de door hen aangehaalde passus uit het bestreden arrest. Zij voeren aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene veiligheidssituatie in die wijk niet betwist en evenmin betwist dat de verzoekers niet van de ene wijk naar de andere kunnen gaan, dat ze continu worden gecontroleerd en lastiggevallen door bendes en dat ze worden afgeperst. In het bestreden arrest staat echter te lezen dat “de verwijzing” door de verzoekers naar de algemene veiligheidssituatie in hun wijk, waarbij zij “aanhalen” dat “men” niet van de ene wijk naar de andere kan gaan en dat “men” wordt gecontroleerd, lastiggevallen en afgeperst, niet volstaat om aan te tonen dat de verzoekers er persoonlijk worden vervolgd of bedreigd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dus dat de algemene verwijzingen door de verzoekers niet volstaan en hij motiveert vervolgens aan de hand van concrete elementen betreffende de persoonlijke situatie van de verzoekers waarom die verwijzingen niet volstaan. Bij het onderzoek of een verzoeker om internationale bescherming kan worden erkend als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), gelezen samen met artikel 1.A van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, met name of hij een gegronde vrees koestert voor vervolging in de zin van deze bepalingen, moet bovendien rekening worden gehouden met alle omstandigheden van de zaak, dus ook de individuele situatie van de verzoeker om internationale bescherming.
  7. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag op wettige wijze te oordelen dat “de loutere mogelijkheid om (al dan niet opnieuw) in aanraking te komen met beroving, afpersing of bedreigingen bij een terugkeer” niet volstaat om een, gegronde vrees voor vervolging of een ernstig risico op ernstige schade in vluchtelingrechtelijke zin aan te tonen. Een algemene mogelijkheid zonder meer volstaat inderdaad niet, om te worden erkend als vluchteling moet een gegronde vrees blijken en bij die beoordeling wordt, zoals supra reeds aangegeven, rekening gehouden met alle omstandigheden van de zaak. De verzoekers gaan in hun kritiek uit van een selectieve lezing van het bestreden arrest, waarin zij zich richten tegen een geïsoleerde alinea uit een ruimere beoordeling. Anders dan de verzoekers voorhouden, motiveert de Raad voor XIV-38.571-2/5 Vreemdelingenbetwistingen in de daaropvolgende alinea wel degelijk waarom te dezen geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar El Salvador. Hij besluit immers op grond van “het geheel van de individuele omstandigheden van verzoekende partijen […] en cumulatief beoordeeld en afgewogen in het licht van de situatie in El Salvador” dat de verzoekers “nalaten concreet aannemelijk te maken dat zij ernstige problemen riskeren bij terugkeer naar El Salvador omwille van het feit dat zij in het buitenland hebben verbleven en moeten terugkeren naar hun land van herkomst”. De verzoekers gaan bovendien voorbij aan de desbetreffende vaststellingen eerder in het bestreden arrest. De uitgebreide theoretische uiteenzetting in het verzoekschrift tot cassatie doet geen afbreuk aan de wettigheid van de voorgaande vaststellingen. Waar de verzoekers het onder meer “kennelijk onredelijk” achten dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat het vereiste niveau van ernst niet gehaald wordt om van daden van vervolging te kunnen spreken, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt en dat het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
  8. Wat de voorgehouden schending van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet betreft, gaan de verzoekers eveneens uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Anders dan zij voorhouden, hanteert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen tijdslimiet als dusdanig met betrekking tot de in het verleden reeds ondergane (bedreiging met) vervolging of ernstige schade. Wel neemt hij in navolging van de aanvankelijk bestreden beslissing aan dat er te dezen “goede gronden” zijn om aan te nemen dat een incident als datgene waarbij eerste verzoekers vader schijnbaar zonder aanleiding of reden zou zijn neergeschoten en eerste verzoeker zelf zou zijn bedreigd, zich niet opnieuw zal voordoen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haalt daarbij aan dat de verzoekers na dit incident nog 16 jaar in El Salvador zijn gebleven “zonder dat zij in die periode problemen hebben gekend met de moordenaars van hun vader respectievelijk echtgenoot”, dat de verzoekers dit niet betwisten en dat de verzoekers “over geen enkele aanwijzing blijken te beschikken dat verzoekers vader vijanden had of specifiek werd gezocht of geviseerd door de bendeleden die hem doodschoten”. Daarmee is wel degelijk de mogelijkheid onderzocht of de aangevoerde daad van vervolging zich opnieuw zou voordoen XIV-38.571-3/5 en gemotiveerd waarom uit die vroegere feiten thans geen gegronde vrees voor vervolging blijkt.
  9. Ook met betrekking tot de bezetting van eerste verzoekers huis in 2012 hanteert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen tijdslimiet als dusdanig. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst immers naar de vaststellingen in de aanvankelijk bestreden beslissing dat eerste verzoeker na de bezetting van zijn huis nog zeven jaar is blijven wonen in El Salvador, zonder problemen te kennen over deze zaak, dat de verklaringen van eerste verzoeker dat zijn werk belangrijk voor hem was en dat het heel goed ging op zijn werk geenszins wijzen op een vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade en dat hij het huis bleef betalen hoewel hij er geen gebruik van kon maken. Het bestreden arrest is wat de bezetting van de woning en de toetsing daarvan aan artikel 48/7 van de vreemdelingenwet betreft dus gesteund op een geheel van vaststellingen en niet louter op het tijdsverloop.
  10. De verzoekers laten nog gelden dat “een verdere kwalificatie in functie van concreetheid of een interpretatie waarbij de alomtegenwoordigheid van het risico een rol speelt […] wettelijke grond [mist]” wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf aangeeft dat de door de verzoekers gevreesde vervolging alomtegenwoordig en wijdverspreid is. Opnieuw dient te worden opgemerkt, zoals supra in punt 2 reeds aangegeven, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze kon stellen dat “de loutere mogelijkheid om (al dan niet opnieuw) in aanraking te komen met beroving, afpersing of bedreigingen bij een terugkeer” niet volstaat om een gegronde vrees voor vervolging of een ernstig risico op ernstige schade in vluchtelingrechtelijke zin aan te tonen en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn feitelijke beoordeling vermocht rekening te houden met het geheel van de individuele omstandigheden van de verzoekers, cumulatief beoordeeld en afgewogen in het licht van de situatie in El Salvador. Het is net op grond van dat geheel van omstandigheden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon besluiten dat de verzoekers geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk maken ingeval van een terugkeer naar El Salvador.
  11. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.571-4/5 BESLUIT:
  12. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  13. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, ieder voor een vierde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.571-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.235 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.