id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.236 Rolnummer: A. 232719/XIV-38572 Zaak: Cassatiebeschikking 14236 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-10 03:47 Fiche Beschikking nr 14.236 van 26 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.236 van 26 februari 2021 in de zaak A. 232.719/XIV-38.572 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lisa Ceunen kantoor houdend te 3971 Leopoldsburg Beringsesteenweg 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 januari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 246.088 van 14 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Artikel 47/3, § 2, 2°, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bepaalt dat “de documenten die aantonen dat het [in artikel 47/1, 2° van die wet bedoelde] andere familielid ten laste is of deel uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie moeten uitgaan van de bevoegde overheden van het XIV-38.572-1/3 land van oorsprong of van herkomst” en dat “bij ontstentenis hiervan, […] het feit ten laste te zijn of deel uit te maken van het gezin van de burger van de Unie bewezen [kan] worden met elk passend middel”. De voornoemde bepaling houdt in dat het ten laste zijn weliswaar in eerste instantie moet worden bewezen met documenten die uitgaan van de bevoegde overheden in het land van herkomst, doch niet dat het ten laste zijn steeds bewezen is indien dienaangaande een document wordt bijgebracht dat uitgaat van die bevoegde overheden. Het ten laste zijn is een feitelijke situatie is en die situatie moet ook blijken uit het kwestieuze document. Verzoeksters kritiek als zouden geen bijkomende bewijzen vereist zijn omdat “het geldige document uitgaande van de bevoegde lokale Marokkaanse autoriteiten […] voorhanden [is]”, faalt derhalve naar recht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft artikel 47/3, § 2, van de vreemdelingenwet niet geschonden door te oordelen dat de verwerende partij vermocht de bewijswaarde van de voorgelegde stukken te beoordelen en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarop een marginale toetsing uitvoert. Hij kon dus op wettige wijze oordelen dat het niet onredelijk was om in de aanvankelijk bestreden beslissing te stellen dat het door verzoekster voorgelegde attest van tenlasteneming, afkomstig van de lokale Marokkaanse autoriteiten, op zich zelf genomen niet voldoende bewijskrachtig is aangezien het niet duidelijk is op basis van welke concrete gegevens deze autoriteiten zijn gekomen tot de daarin gedane vaststelling.
- Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een gelijkaardige zaak tot een ander oordeel zou zijn gekomen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Evenmin blijkt daaruit een schending van de in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Het rechtszekerheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
- Met de algemene stelling dat “het tenlastenemingsdocument uit Marokko werd geredigeerd op 17 april 2019 doch […] niet in[houdt] dat verzoekster slechts vanaf dan ten laste was van de referentiepersoon” toont verzoekster niet de onwettigheid aan XIV-38.572-2/3 van de beoordeling in het bestreden arrest “dat het attest dateert van 17 april 2019 en enkel stelt dat op dat ogenblik de referentiepersoon, die volgens het attest verblijft in Marokko, verzoekster ten laste neemt” en dat “niet [blijkt] dat dit attest zich verder uitspreekt over de periode dat verzoekster nog verbleef in haar land van herkomst”.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.572-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div