id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.240 Rolnummer: A. 232598/XIV-38558 Zaak: Cassatiebeschikking 14240 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-10 03:47 Fiche Beschikking nr 14.240 van 26 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.240 van 26 februari 2021 in de zaak A. 232.598/XIV-38.558 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 244.497 van 20 november 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is aangekomen ter griffie op 27 januari
- Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De verzoekers stellen in het eerste onderdeel van het enige middel dat, “waar in het bestreden arrest wordt beslist dat de verzoekers moeten aantonen dat er geen overheidsbescherming is en [de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] bij gebrek hieraan de aanvraag verwerpt, […] er een onredelijke bewijslast [wordt] opgelegd”. XIV-38.558-1/4 Hiermee gaan de verzoekers uit van een gebrekkige lezing van het bestreden arrest. De vaststelling in het bestreden arrest dat “een vrees voor de bendes in El Salvador aan de grondslag ligt van het beschermingsverzoek”, wordt niet betwist. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt, wat die vrees betreft, dat “de algemene context en de macht en invloed van de bendes op de samenleving en de economie in dat land goed voor ogen [moeten] worden gehouden” en hij maakt vervolgens een analyse “op basis van de objectieve landeninformatie die door de partijen ter beschikking wordt gesteld”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet met verwijzing naar meerdere internationale verslagen enerzijds omstandig het optreden en de invloed van de bendes uiteen die “nagenoeg het hele grondgebied [bestrijken]” en hij zet anderzijds concreet uiteen hoe “de Salvadoraanse staat hard optreedt tegen de bendes”. Hij gaat hierbij ook in op “de corruptie binnen de veiligheidsdiensten en het rechtsbestel” en op andere problemen in de strijd tegen de bendes. Na deze beschrijving neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “een genuanceerd standpunt” in over de argumentatie van de verzoekers “dat er in El Salvador geen overheidsbescherming aanwezig is tegen niet-overheidsactoren van vervolging of ernstige schade”. Hij beschouwt het Salvadoraanse staatsapparaat als “verzwakt en fragiel”, “ondermijnd door corruptie en gebrek aan middelen” doch merkt op dat niettemin in de strijd tegen de bendes “maatregelen [worden] genomen en […] zowel bendeleden als niet- bendeleden ook gerechtelijk [worden] vervolgd en veroordeeld”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat, “voor zover uit de landeninformatie kan blijken dat overheidsbescherming in El Salvador niet in alle gevallen doeltreffend of beschikbaar is, […] evenwel ook niet [kan] worden besloten dat El Salvador moet worden beschouwd als een ‘failed state’ of dat overheidsbescherming tegen bendes totaal afwezig zou zijn”, doch dat dit afhangt van de individuele omstandigheden van de zaak en dat de verzoekers bijgevolg moeten aantonen dat in hun geval geen overheidsbescherming beschikbaar is, waarbij de bewijsstandaard op “laag” moet worden gezet in het licht van de algemene omstandigheden in El Salvador en de individuele omstandigheden van de verzoekers. Anders dan de verzoekers voorhouden, wordt hun verzoek om internationale bescherming niet verworpen, louter op basis van het feit dat zij niet bewijzen dat geen overheidsbescherming aanwezig is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt integendeel zelf aan de hand van de beschikbare landeninformatie of overheidsbescherming in het algemeen mogelijk is tegen de bendes en komt tot een XIV-38.558-2/4 genuanceerd oordeel waarbij hij deze mogelijkheid niet uitsluit. Slechts in tweede instantie onderzoekt hij of de verzoekers een gebrek aan overheidsbescherming aannemelijk maken in hun concreet geval waarbij hij een “lage” bewijsstandaard toepast. Hiermee eist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen negatief bewijs, doch het bewijs van door de verzoekers ingeroepen feiten en omstandigheden, met name dat zij (vruchteloos) hebben getracht bescherming te krijgen of dat zij in de onmogelijkheid waren bescherming te vragen of dat van hen om bepaalde redenen niet kon worden verwacht die bescherming te vragen. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- De verzoekers richten zich in het tweede middelonderdeel tegen de beoordeling in het bestreden arrest dat hun betoog over de geloofwaardigheid van hun relaas en de stelling dat eerste verzoeker tot een risicocategorie behoort omdat hij als politieman en informant werd beschouwd niet langer dienstig is omdat dit betoog geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de verzoekers niet aantonen dat zij geen toegang zouden hebben tot doeltreffende niet-tijdelijke bescherming vanwege de overheid in El Salvador. Zij achten dit tegenstrijdig met de beoordeling dat rekening moet worden gehouden met alle individuele omstandigheden van de zaak en van de verzoekers om na te gaan of overheidsbescherming beschikbaar is. De verzoekers gaan voorbij aan de omstandige en concrete motivering in het bestreden arrest betreffende de ontvoering waarvan eerste verzoeker in 2015 het slachtoffer zou zijn geweest en de feiten uit 2019 toen eerste verzoeker twee keer zou zijn aangesproken door bendeleden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hierbij in op het verloop van het onderzoek door de politie en het openbaar ministerie na de door eerste verzoeker ingediende klachten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit uit dit alles dat de verzoekers niet aantonen dat in hun geval geen doeltreffende niet- tijdelijke bescherming vanwege de overheid in El Salvador beschikbaar zou zijn noch dat zij daartoe geen toegang zouden hebben. Precies omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het gebrek aan mogelijke bescherming door de overheid te dezen niet aanvaardt, hoefde hij niet verder in te gaan op de stelling van de verzoekers dat eerste verzoeker zou behoren tot een categorie die dergelijke bescherming nodig zou hebben. Deze motivering is dan ook niet tegenstrijdig.
- Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.558-3/4 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.558-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.240 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.