← België

Cassatiebeschikking 14241 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.241 Rolnummer: A. 232604/XIV-38560 Zaak: Cassatiebeschikking 14241 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-10 03:47 Fiche Beschikking nr 14.241 van 26 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.241 van 26 februari 2021 in de zaak A. 232.604/XIV-38.560 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 244.469 van 19 november 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Verzoekster acht de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verkeerdelijk zou aannemen dat verzoekster de geldigheid van XIV-38.560-1/6 haar beschermingsstatus in Hongarije niet betwist waar hij in het bestreden arrest overweegt dat “de geldigheid van de internationale beschermingsstatus van verzoekende partij niet in vraag wordt gesteld […]” en hij niet daadwerkelijk antwoordt op verzoeksters argumentatie. Verzoekster gaat er echter voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.5 van het bestreden arrest verwijst naar “het betoog van verzoekende partij dat uit de elementen in het administratief dossier – met name de informatie afkomstig van de Hongaarse asielinstanties (bijlage 2 van het verzoekschrift) – niet genoegzaam blijkt dat zij actueel nog steeds over een internationale beschermingsstatus zou beschikken in Hongarije, temeer in het licht van een verstrenging van het Hongaarse beleid gedurende de afgelopen jaren, en dat verwerende partij dienaangaande tekortschiet om een en ander aan te tonen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderstreept dan “dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen de internationale beschermingsstatus enerzijds en de daaraan gekoppelde verblijfstitel anderzijds” en vervolgt dat, “waar de verblijfstitels […] in wezen beperkt in de tijd en verlengbaar zijn (zoals overigens ook in België), […] zulks in beginsel niet het geval [is] wat betreft de verleende beschermingsstatus die onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dan “dat uit de informatie in het administratief dossier blijkt dat verzoekende partij op 20 januari 2000 in Hongarije werd erkend als vluchteling en dat de Hongaarse asielinstanties op 31 januari 2018 uitdrukkelijk bevestigden dat haar status nog steeds geldig is […]”, dat “door verzoekende partij […] voorts geen concrete gegevens of verifieerbare elementen [worden] bijgebracht die aantonen dat er sprake zou zijn van een intrekking of opheffing van de haar verleende status” en dat “evenmin […] het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin [bevat]. De Raad onderstreept hierbij dat, wanneer de eerder verleende internationale bescherming bewezen is, zoals in casu, “het aan verzoekende partij, die de actualiteit of effectiviteit van deze bescherming desgevallend ter discussie stelt, persoonlijk toekomt om aan te tonen dat zij niet op deze bescherming kan rekenen” en dat “evenwel [dient] te worden vastgesteld dat verzoekende partij hierin geenszins slaagt, nu zij zich desbetreffend beperkt tot algemeenheden, hetgeen bezwaarlijk volstaat om het vermoeden van actualiteit van de verleende status ten persoonlijke titel op concrete wijze om te buigen”. Verzoekster toont niet aan dat deze motivering tekort zou schieten als antwoord op haar argumentatie aangaande het actuele karakter van haar beschermingsstatus en verblijfstoestand in Hongarije. XIV-38.560-2/6 Verzoekster geeft bovendien een verkeerde lezing aan de navolgende overweging in het bestreden arrest die begint met “aangezien de geldigheid van de internationale beschermingsstatus van de verzoekende partij niet in vraag wordt gesteld”. Hierin wordt duidelijk het onderscheid gemaakt tussen de (als dusdanig ook niet door verzoekster betwiste) erkenning als vluchteling enerzijds en de verblijfsdocumenten anderzijds, hetgeen blijkt uit het vervolg van de zin dat “niets erop [wijst] dat verzoekende partij niet zou kunnen terugkeren naar Hongarije, of dat haar verblijfsvergunning die verband houdt met haar status van persoon die internationale bescherming geniet niet eenvoudig zou kunnen worden hernieuwd mits het zetten van een aantal stappen”.
  3. Verzoeksters in ondergeschikte orde geformuleerde kritiek betreffende de boordeling van de geldigheid van haar internationale beschermingsstatus is eveneens ongegrond. Verzoekster herhaalt wel haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde kritiek doch zij gaat opnieuw voorbij aan de supra in punt 1 weergegeven motieven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat immers uitdrukkelijk in op de hypothese van het verstrijken van de geldigheid van verblijfsdocumenten na de erkenning als vluchteling. Tweede onderdeel van het enige middel
  4. Verzoekster stelt dat in het bestreden arrest geen rekening is gehouden met haar argumentatie dat de lat voor haar zoon om te spreken van een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) als minderjarige lager ligt dan voor verzoekster zelf voor wat de door verzoekster ondergane discriminatie, xenofobie en uitsluiting betreft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt in punt 2.2.14 van het bestreden arrest wel degelijk het door verzoekster aangehaalde rapport van het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen inzake het hoger belang van het kind. De overweging in het bestreden arrest dat het belang van het kind als eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat geen afbreuk doet aan de eigenheid van het asielrecht, is niet onwettig. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt verder op dat verzoekster, van wie wordt vermoed dat zij het verzoek om internationale bescherming ook heeft ingediend in naam van haar zoon, behoudens de door haarzelf aangehaalde elementen geen bijzondere of XIV-38.560-3/6 specifieke elementen of omstandigheden heeft doen gelden wat haar zoon betreft en dat het verzoekschrift ook geen verdere concrete elementen dienaangaande bevat doch in wezen beperkt is tot een theoretische uiteenzetting en een herhaling van verzoeksters eigen verklaringen. Verzoekster beperkt zich thans opnieuw tot een theoretische uiteenzetting zonder aan te geven welke concrete elementen in hoofde van verzoeksters zoon op onwettige wijze buiten beschouwing zouden zijn gelaten en daardoor tot een schending van artikel 3 van het EVRM zouden hebben geleid of kunnen leiden. Er blijkt dan ook niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht zou hebben geschonden van de aangehaalde rapporten van het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen door er een betekenis aan te geven die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De door verzoekster uit die rapporten aangehaalde citaten doen overigens geen afbreuk aan de voornoemde vaststellingen in het bestreden arrest. Derde onderdeel van het enige middel
  5. Verzoekster richt zich op de beoordeling in punt 2.2.16 van het bestreden arrest van haar “bijkomende nota” van 10 november 2020 waarbij zij had verwezen naar rapporten over de problemen in Hongarije en naar vijf inbreukprocedures, gevoerd tegen de Europese Commissie tegen Hongarije. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een andere visie heeft op hetgeen uit de voornoemde stukken kan worden afgeleid met betrekking tot de situatie in Hongarije voor wat verzoekster zelf betreft, waarbij hij rekening houdt met de concrete vaststellingen betreffende verzoekster, houdt geenszins in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van de voornoemde stukken zou hebben geschonden. Er blijkt niet uit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een betekenis aan die stukken zou hebben gegeven die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt slechts dat dergelijke algemene informatie op zich niet volstaat doch dat verzoekster concrete elementen moet aanreiken die van aard zijn het vermoeden te weerleggen dat zij zich kan beroepen op de in Hongarije verleende bescherming. XIV-38.560-4/6 Vierde onderdeel van het enige middel
  6. Zoals reeds aangehaald bij de behandeling van het derde middelonderdeel, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat algemene informatie op zich niet volstaat doch dat verzoekster concrete elementen moet aanreiken die van aard zijn het vermoeden te weerleggen dat zij zich kan beroepen op de in Hongarije verleende bescherming. Daarmee geeft hij duidelijk de reden aan waarom hij verzoeksters argumentatie niet aanvaardt. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt niet in dat de rechter ook de gronden voor zijn motieven moet specificeren. Vijfde onderdeel van het enige middel
  7. Al heeft de door artikel 3 van het EVRM verleende bescherming een absoluut karakter, dit sluit niet uit dat bij een toetsing aan deze verdragsbepaling moet worden onderzocht of er een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico bestaat aan blootstelling van de betrokkene aan een behandeling of bestraffing in strijd met die verdragsbepaling. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle specifieke feiten en omstandigheden van de zaak, ook in hoofde van de betrokkenen zelf. Verzoekster gaat voorbij aan de uitgebreide en concrete beoordeling in het bestreden arrest van de verklaringen die zij heeft afgelegd over haar persoonlijke situatie in Hongarije en het feit dat daaraan “geen enkel geloof kan worden gehecht”. Het is net op grond van deze in zes punten ontwikkelde motieven dat de door verzoekster voorgehouden problemen in Hongarije volstrekt ongeloofwaardig zijn bevonden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft daarmee duidelijk aan waarom hij artikel 3 van het EVRM niet geschonden acht. Door aldus te handelen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de bewijskracht geschonden van de door verzoekster aangehaalde medische stukken. Als feitenrechter beoordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overigens soeverein de bewijswaarde van dergelijke stukken. Conclusie
  8. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.560-5/6 BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  10. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.560-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.