← België

Cassatiebeschikking 14242 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.242 Rolnummer: A. 232657/XIV-38565 Zaak: Cassatiebeschikking 14242 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-10 03:47 Fiche Beschikking nr 14.242 van 26 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.242 van 26 februari 2021 in de zaak A. 232.657/XIV-38.565 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 januari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 245.435 van 4 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de XIV-38.565-1/5 vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoeker kan derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de aanvankelijk bestreden beslissing onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen.
  3. Artikel 47/3, § 2, 2°, tweede lid, van de vreemdelingenwet bepaalt dat “de documenten die aantonen dat het [in artikel 47/1, 2° van die wet bedoelde] andere familielid ten laste is of deel uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie moeten uitgaan van de bevoegde overheden van het land van oorsprong of van herkomst” en dat “bij ontstentenis hiervan, […] het feit ten laste te zijn of deel uit te maken van het gezin van de burger van de Unie bewezen [kan] worden met elk passend middel”. Het ten laste zijn is een feitelijke situatie. Waar verzoeker met herhaling van zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde argumentatie verwijst naar negen geldstortingen en stelt dat “er wel degelijk gesproken [kan] worden van een reële afhankelijkheid”, dat daarmee “op afdoende wijze [wordt] aangetoond dat verzoeker, voorafgaand aan de aanvraag tot gezinshereniging, wel degelijk ten laste was van de referentiepersoon”, dat “de voorgelegde geldstortingen […] dit aan[tonen] en dat hij “bijgevolg [heeft] aangetoond dat hij reeds vóór zijn inschrijving in België financieel ten laste was van de referentiepersoon”, vraagt hij in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
  4. Verzoeker stelt dat elke motivering ontbreekt in het bestreden arrest waarom de geldstortingen die dateren van vóór zijn vertrek uit Marokko niet worden aanvaard als bewijs van het ten laste zijn. XIV-38.565-2/5 Verzoeker gaat echter voorbij aan de concrete motivering in punt 2.11 van het bestreden arrest waarom de aanvankelijk bestreden beslissing op dat punt niet onredelijk wordt geacht. Hij toont wat dat betreft dan ook geen schending aan de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  5. Vervolgens gaat verzoeker in op de kwestie van het al dan te hebben aangetoond dat hij onvermogend is. Met herhaling van zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde argumentatie stelt hij dat “bijgevolg [blijkt] dat verzoeker onvermogend was in het land van herkomst en hierbij ten laste is van de referentiepersoon”, en dat “verwerende partij […] aldus haar motiverings- en zorgvuldigheidsverplichting [heeft] geschonden en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen […] dit [had] moeten vaststellen en zodoende de weigeringsbeslissing moeten vernietigen”. Hiermee vraagt verzoeker de Raad van State opnieuw in de beoordeling van de zaak zelf te treden waarvoor hij, zoals supra reeds aangegeven, echter niet bevoegd is.
  6. Ook waar verzoeker, na andermaal zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde argumentatie te hebben herhaald, stelt dat hij “met andere woorden wel degelijk [heeft] aangetoond, en dit blijkt zeer duidelijk uit de stukken, dat hij financieel afhankelijk is van zijn neef (de referentiepersoon)” en dat hij “met andere woorden op afdoende wijze [heeft] aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 47/1, 2° Vreemdelingenwet”, vraagt hij een beoordeling van de zaak door de Raad van State.
  7. Tot slot herhaalt verzoeker volledig zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde argumentatie over een schending van “het Unierecht” door de aanvankelijk bestreden beslissing. Volgens hem ontbreekt elke motivering daarover in het bestreden arrest. Verzoeker gaat voorbij aan de overweging in punt 2.14 van het bestreden arrest dat hij geen schending van het recht op vrij verkeer van de referentiepersoon kan aantonen ingevolge de weigering van het verblijfsrecht aan verzoeker, vermits verzoeker niet heeft aangetoond ten laste te zijn geweest van zijn neef in het land van herkomst of deel XIV-38.565-3/5 te hebben uitgemaakt van diens gezin in het land van herkomst. Derhalve toont verzoeker ook wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  8. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  9. In het tweede middel herhaalt verzoeker integraal het tweede middel zoals aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Hij voegt enkel toe dat “de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen […] op haar beurt [stelt] dat verzoeker geen beschermenswaardige gezins- of familierelatie aannemelijk heeft gemaakt, gelet op het zogenaamde feit dat verzoeker het ten laste zijn niet heeft bewezen”. Verzoekers kritiek is derhalve gericht tegen de aanvankelijk bestreden beslissing en niet tegen het bestreden arrest. Minstens gaat verzoeker voorbij aan de motivering in punt 2.22 van het bestreden arrest waarin concreet en omstandig wordt aangegeven waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat het te dezen niet gaat om een “beschermenswaardig gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 EVRM derwijze dat een verwijdering van de verzoekende partij van het grondgebied een schending van dit artikel zou opleveren”.
  10. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  12. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.565-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.565-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.242 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.