← België

Cassatiebeschikking 14249 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.249 Rolnummer: A. 232768/XIV-38578 Zaak: Cassatiebeschikking 14249 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-14 02:20 Fiche Beschikking nr 14.249 van 2 maart 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.249 van 2 maart 2021 in de zaak A. 232.768/XIV-38.578 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Vancraeynest kantoor houdend te 5530 Yvoir avenue de Fidevoye 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 januari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 246.400 van 17 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 februari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te XIV-38.578-1/3 motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
  3. Wat de door verzoeker in Marokko opgelopen veroordelingen betreft, wordt in het bestreden arrest eerst uitdrukkelijk verwezen naar het door verzoeker bij zijn verzoekschrift tot beroep gevoegde uittreksel van zijn strafblad, waarop een veroordeling uit 2007 tot twee maanden gevangenisstraf en een veroordeling van 24 juni 2018 tot 15 jaar gevangenisstraf worden vermeld. Vervolgens stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker bij zijn eerste onderhoud op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 19 februari 2019 zelf heeft verklaard nooit veroordeeld te zijn geweest en bij een tweede onderhoud ontkennend heeft geantwoord op de vraag of hij tot 20 jaar werd veroordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er daarna op dat verzoeker ook heeft verklaard dat hij een advocaat had in Marokko die zijn belangen behartigde zodat in redelijkheid kan worden aangenomen dat deze laatste een kopie van de vonnissen zou hebben meegedeeld, minstens verzoeker op de hoogte zou hebben gesteld van zijn veroordelingen. Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij uit het door verzoeker bijgebrachte uittreksel van zijn strafblad geen nood aan internationale bescherming afleidt. Verzoeker toont geen schending aan van de jurisdcitionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  4. Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
  5. Het beginsel van de bewijskracht van akten houdt in dat de rechter geen betekenis mag geven aan een akte die strijdig is met de bewoordingen of de inhoud ervan. XIV-38.578-2/3
  6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ontkent geenszins de inhoud van het door verzoeker bijgebrachte uittreksel uit het strafregister maar hij leidt er geen nood aan internationale bescherming uit af. Daarmee beoordeelt hij enkel de bewijswaarde van dat stuk in het licht van het gegeven dat verzoeker voordien uitdrukkelijk heeft verklaard geen veroordelingen te hebben opgelopen.
  7. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee maart tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.578-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.249 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.