← België

Cassatiebeschikking 14255 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.255 Rolnummer: A. 232830/XIV-38582 Zaak: Cassatiebeschikking 14255 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-25 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 07:20 Fiche Beschikking nr 14.255 van 16 maart 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.255 van 16 maart 2021 in de zaak A. 232.830/XIV-38.582 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rebecca Greenland kantoor houdend te 3600 Genk Europalaan 50 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 januari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 246.695 van 22 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 februari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is XIV-38.582-1/3 gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De verzoekers kunnen dan ook geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht steunen op de kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “manifeste appreciatiefout” zou hebben begaan, dat hij een “fout” zou hebben begaan bij de beoordeling van een bepaald stuk waardoor het bestreden arrest “niet correct” zou zijn gemotiveerd, dat zijn kritiek op het relaas van de verzoekers “in strijd met de werkelijkheid van de situatie in El Salvador” zou zijn en dat hij zou uitgaan van “verkeerde […] informatie en veronderstellingen”. Evenmin kunnen de verzoekers er zich op steunen dat hun relaas “wel geloofwaardig gevonden [diende] te worden” of dat zij “minstens in aanmerking [komen] voor de subsidiaire beschermingsstatus”. Met hun argumentatie vragen de verzoekers in wezen een nieuwe beoordeling ten gronde terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Tot slot moet worden opgemerkt dat de door de verzoekers aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitspraak met hervormingsbevoegdheid heeft gedaan over een beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus.
  4. Het enige middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. XIV-38.582-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zestien maart tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.582-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.255 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.