id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.256 Rolnummer: A. 232818/XIV-38581 Zaak: Cassatiebeschikking 14256 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-25 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-10 07:20 Fiche Beschikking nr 14.256 van 16 maart 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.256 van 16 maart 2021 in de zaak A. 232.818/XIV-38.581 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hajarpi Chatchatrian kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 januari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 246.689 van 22 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 februari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De verzoekers richten zich tegen de overweging in het bestreden arrest “dat de kopieën van het ‘bewijs van de zaak tegen de belager van het nichtje van cliënt’ […] en het vonnis dat de belager veroordeelt […] die verzoekers bij aanvullende nota ter terechtzitting voorleggen, slechts vergezeld zijn van een feitelijke vertaling en niet XIV-38.581-1/3 vergezeld zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling in de taal van de rechtspleging zoals voorgeschreven door artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zodat de Raad geen kennis kan nemen van de inhoud ervan” en tegen het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde vertalingen in het Engels niet in overweging neemt maar wel het in het Engels opgestelde stuk van de verwerende partij Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from El Salvador. Het voornoemde door de verwerende partij bijgebrachte stuk is oorspronkelijk in het Engels opgesteld. De beide kwestieuze stukken van de verzoekers zijn echter in het Spaans opgesteld, telkens vergezeld van een vertaling in het Engels waarop slechts met de hand is geschreven “Eensluidend verklaard”, gevolgd door de eveneens met de hand voluit geschreven naam D.M. Waar nergens uit blijkt wie de genaamde D.M. is en er geen enkele waarborg bestaat over de weergave van de inhoud van het betreffende stuk, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze oordelen dat het slechts een “feitelijke vertaling” betreft zodat hij geen kennis kan nemen van de inhoud ervan. Dit in tegenstelling tot het door de verwerende partij bijgebrachte stuk van het UNHCR, dat in het Engels als brontaal is opgesteld. In die omstandigheden is het recht op tegenspraak niet geschonden door het stuk van de ene partij wel en de andere partij niet in overweging te nemen, hoewel ze allebei in het Engels zijn opgesteld.
- Uit het bovenstaande blijkt eveneens dat de verzoekers in die mate geen schending aantonen van de artikelen 39/76, § 1, tweede lid, iuncto 39/60 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ iuncto artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december
- De verzoekers richten zich verder tegen de daarop volgende alinea in het bestreden arrest waar “ten overvloede” enkele opmerkingen worden gemaakt over de inhoud van de voornoemde in het Engels vertaalde stukken van de verzoekers. Volgens de verzoeker spreekt het bestreden arrest daarmee “zichzelf een beetje tegen”. Uit een mogelijke tegenstrijdigheid van de motieven kan geen schending van het recht van verdediging worden afgeleid. Verder is het niet tegenstrijdig om XIV-38.581-2/3 eerst vast te stellen dat een stuk niet in aanmerking komt en nadien uitdrukkelijk “ten overvloede”, als het ware in ondergeschikte orde, toch in te gaan op de inhoud van dat stuk. Het betreft echter een overtollig motief waarvan een eventuele onwettigheid de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- D verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zestien maart tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.581-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.