← België

Cassatiebeschikking 14271 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.271 Rolnummer: A. 232895/XIV-38590 Zaak: Cassatiebeschikking 14271 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-10 07:21 Fiche Beschikking nr 14.271 van 24 maart 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.271 van 24 maart 2021 in de zaak A. 232.895/XIV-38.590 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 februari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 246.905 van 7 januari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 maart 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Volgens verzoekster heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest de artikelen 39/2 en 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden “door te concluderen dat het loutere feit te behoren tot de Russisch-orthodoxe Kerk niet volstaat om beroep te kunnen doen aan de internationale bescherming, zonder dat enige objectieve XIV-38.590-1/4 informaties werden neergelegd door het CGVS of werden aangehaald door de RvV om dit te staven”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt met toepassing van artikel 39/2, § 1, 2°, van de vreemdelingenwet soeverein of hij over voldoende elementen beschikt om de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te bevestigen of te hervormen zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag hij de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet over te doen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betwist niet dat verzoekster als gelovige tot de Russisch-orthodoxe kerk in Oekraïne behoort. Waar verzoekster enkel verwijst naar fragmenten uit twee artikelen van Radio Free Europe, namelijk dat de politie verschillende kerken van de Russisch-orthodoxe kerk en huizen van priesters heeft doorzocht en dat de stap naar een onafhankelijke Oekraïens-orthodoxe kerk bijdraagt tot de spanning tussen Moskou en Kiëv, toont zij niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 48/6 van de vreemdelingenwet heeft geschonden door te oordelen dat “het loutere feit te behoren tot de Russisch-orthodoxe kerk” niet volstaat om zich te beroepen op internationale bescherming doch dat een individuele beoordeling zich opdringt. Verder dient te worden herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
  2. Volgens verzoekster heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de draagwijdte van het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken evenals de motiveringsplicht geschonden “door te oordelen dat uit de door [verzoekster] bijgebrachte informatie niet blijkt dat er [van] vervolgingen van gelovigen sprake is in Oekraïne”. Zoals hiervoor uit punt 1 blijkt, wordt in de twee door verzoekster geciteerde artikelen van Radio Free Europe gesteld dat de politie verschillende kerken van de Russisch-orthodoxe kerk en huizen van priesters heeft doorzocht en dat de stap naar een onafhankelijke Oekraïens-orthodoxe kerk bijdraagt tot de spanning tussen Moskou en Kiëv. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geen betekenis gegeven aan de bewoordingen of de inhoud van die stukken door te oordelen dat “het loutere feit te behoren XIV-38.590-2/4 tot de Russisch-orthodoxe kerk” niet volstaat om zich te beroepen op internationale bescherming. Waar enerzijds verzoeksters stukken betrekking hebben op het doorzoeken van kerken en van woningen van priesters en op een verhoging van de spanning tussen Moskou en Kiëv en waar anderzijds de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekster beschouwt als een gewone gelovige die louter behoort tot de Russisch-orthodoxe kerk, geeft hij meteen aan waarom uit die stukken geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin blijkt. Verzoekster toont dan ook geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  3. Volgens verzoekster heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 48/3 van de vreemdelingenwet geschonden “door zijn analyse van de vrees voor vervolging van [verzoekster] te verbinden aan de geloofwaardigheid van de afgelopen vervolgingen”. Door te oordelen dat (in het algemeen) uit de twee hiervoor reeds aangehaalde artikelen van Radio Free Europe geen nood aan internationale bescherming blijkt en dat (op individueel niveau) geen geloof kan worden gehecht aan de door verzoekster zelf voorgehouden problemen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 48/3 van de vreemdelingenwet niet geschonden. Hij heeft deze bepaling evenmin geschonden door verder op te merken dat verzoekster geenszins aannemelijk maakt dat hij reeds werd vervolgd in de zin van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet.
  4. Verzoekster zet niet uiteen op welke wijze de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.590-3/4
  7. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vierentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.590-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.271 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.