← België

Cassatiebeschikking 14276 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.276 Rolnummer: A. 233018/XIV-38605 Zaak: Cassatiebeschikking 14276 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-30 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 07:22 Fiche Beschikking nr 14.276 van 26 maart 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.276 van 26 maart 2021 in de zaak A. é.018/XIV-38.605 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kathleen Dassen kantoor houdend te 2070 Burcht Pastoor Coplaan 241 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 februari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 247.602 van 18 januari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 maart 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) vallen. (zie EHRM (GK) 5 oktober XIV-38.605-1/3 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België) Verzoeker kan derhalve niet op ontvankelijke wijze een schending van artikel 6 van het EVRM aanvoeren tegen het bestreden arrest.
  2. Het volstaat voor een kennisgeving per aangetekende brief niet dat deze brief op geldige wijze ter post is aangeboden, de geadresseerde moet ook in de mogelijkheid zijn er (tijdig) kennis van te nemen. Te dezen voert verzoeker aan dat de aangetekende brief van 28 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de kennisgeving van de aanvullende nota van de verwerende partij werd aangeboden op verzoekers gekozen woonplaats bij zijn advocaat op 30 december 2020, dat niemand aanwezig was, dat de postbode een bericht heeft achtergelaten, dat verzoekers advocaat met vakantie was en dat de brief slechts op 4 januari 2021 om 15.57u werd afgehaald terwijl verzoekers zaak reeds op de terechtzitting van 4 januari 2021 om 13u werd behandeld. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan op de dag van de aanbieding van de brief met achterlating van een bericht door de postbode, te dezen op 30 december
  3. Verzoeker ontkracht dit vermoeden niet met de enkele bewering dat zijn advocaat op vakantie zou zijn geweest. Er blijkt dan ook geen schending van het recht van verdediging doordat verzoeker geen kennis zou hebben kunnen nemen van de met de voornoemde brief verstuurde aanvullende nota van de verwerende partij.
  4. In het licht van het voorgaande, hoefde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet nader te motiveren over de vraag of verzoeker kennis had van de bedoelde aanvullende nota van de verwerende partij. Op grond van artikel 39/76, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet kan dergelijke nota worden ingediend tot de sluiting van het debat en het wordt niet betwist dat dit tijdig is gebeurd. Verder geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest aan welke betekenis hij geeft aan de aanvullende nota van de verwerende partij, namelijk dat deze aansluit bij de omstandige motivering in de bij hem aangevochten beslissing en de andere beschikbare informatie, met XIV-38.605-2/3 daarbij de vaststelling dat verzoeker geen concrete informatie bijbrengt die die analyse kan weerleggen. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.605-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.