id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.277 Rolnummer: A. 233063/XIV-38613 Zaak: Cassatiebeschikking 14277 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-30 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 07:23 Fiche Beschikking nr 14.277 van 26 maart 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.277 van 26 maart 2021 in de zaak A. é.063/XIV-38.613 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 februari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 247.955 van 21 januari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 maart 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt “dat het al dan niet open zijn en de toegankelijkheid van de grensovergang in Rafah een uitermate wezenlijk element uitmaakt in de beoordeling van het toekennen van een internationale beschermingsstatus aan Gazanen en dat dit element dient te worden betrokken bij de beoordeling van het reële risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 48/4, § 2, b), van de Vreemdelingenwet”. Volgens verzoeker “verduidelijkt de eerste rechter niet waarom zij XIV-38.613-1/3 haar standpunt in zake het volatiel karakter van de veiligheidssituatie in Gazastrook die steeds de meest actuele en volledige informatie noodzakelijk maakt, verlaat terwijl zij zelf aangeeft dat dit uitermate wezenlijk tot de juiste beoordeling hoort”. Verzoeker gaat voorbij aan de omstandige en concreet ontwikkelde motivering vanaf bladzijde 17 van het bestreden arrest die blijkt te zijn gesteund op een COI Focus van 3 september 2020, specifiek over de terugkeermogelijkheden naar de Gazastrook. In die motivering komen tal van aspecten aan bod, onder meer de vereiste administratieve formaliteiten voor (al dan niet bij het UNRWA geregistreerde) Palestijnen, de mogelijkheden om zich naar Egypte te begeven en vervolgens naar de grensovergang in Rafah (met de daaraan verbonden formaliteiten), de veiligheidssituatie in de Sinaï en de daaraan gekoppelde veiligheidsmaatregelen indien men zich naar Rafah wil begeven, de opening van de grensovergang zelf in Rafah, de aanwezigheid van Palestijns personeel aldaar en de invloed van de COVID-19-pandemie op de doorgangsmogelijkheden aan die grensovergang. Op grond van al die vaststellingen besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op bladzijde 20 van het bestreden arrest “dat een terugkeer naar Gaza via de Sinaï en de grensovergang te Rafah actueel mogelijk is en dat er op dit ogenblik geen praktische en veiligheidsbarrières zijn die een terugkeer van verzoeker naar Gaza belemmeren” en dat verzoeker geen informatie bijbrengt waaruit het tegendeel blijkt. In het licht van die motieven mist verzoekers kritiek als zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet meer de meest actuele en volledige informatie nodig achten, feitelijke grondslag. Verzoeker gaat volledig voorbij aan de voornoemde motivering en hij maakt dan ook geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht of van artikel 48/4, § 2, b), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.613-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.613-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div