← België

Cassatiebeschikking 14284 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/04/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.284 Rolnummer: A. 232825/XIV-38588 Zaak: Cassatiebeschikking 14284 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-15 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 13:03 Fiche Beschikking nr 14.284 van 1 april 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.284 van 1 april 2021 in de zaak A. 232.825/XIV-38.588 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Cohen, Louise Diagre en Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 februari 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 246.615 van 21 december 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 maart 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middelonderdeel
  2. Verzoekster voert aan dat, anders dan in het bestreden arrest wordt geoordeeld, uit geen enkele wettelijke bepaling volgt dat het verkrijgen of de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit het verlies van een voorheen verworven verblijfsrecht met zich meebrengt. XIV-38.588-1/9
  3. Uit het bestreden arrest blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoekster op 17 oktober 2000 de Belgische nationaliteit heeft verworven, dat zij met een arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 november 2017 vervallen is verklaard van de Belgische nationaliteit en dat het beschikkend gedeelte van dit arrest op 12 juli 2018 is overgeschreven door de ambtenaar van de burgerlijke stand. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt op wettige wijze dat verzoeksters verblijfsrecht als vreemdeling kwam te vervallen op het ogenblik dat zij de Belgische nationaliteit verwierf. Uit de artikelen 23, § 8, en 23/1, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, waarin wordt bepaald dat de vervallenverklaring gevolg heeft vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit door de ambtenaar van de burgerlijke stand, volgt dat die vervallenverklaring geen terugwerkende kracht heeft. Verzoekster had dus geen verblijfsrecht meer als vreemdeling vanaf het verwerven van de Belgische nationaliteit en zij heeft de Belgische nationaliteit pas verloren vanaf de overschrijving van de vervallenverklaring door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Verzoekster werd door de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit niet teruggeplaatst in de verblijfsrechtelijke toestand die zij had voordat zij de Belgische nationaliteit verwierf. Hieruit volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze oordeelt “dat verzoekende partij, die niet langer de Belgische nationaliteit had op het ogenblik van de [aanvankelijk] bestreden beslissing, zich niet kan beroepen op een verblijfsrecht dat zij had op het ogenblik dat zij Belg werd, nu dit precies op dat moment is komen te vervallen”.
  4. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. Tweede middelonderdeel
  5. Verzoekster voert in een eerste grief aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet antwoordt op haar kritiek dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet beantwoordt aan de criteria van voorzienbaarheid en transparantie zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens deze heeft gedefinieerd met betrekking tot artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). XIV-38.588-2/9
  6. Met de overweging dat verzoekster “voorbij[gaat] aan het gegeven dat in artikel 23, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, bepaling die in haar geval werd toegepast, de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit is voorzien indien de betrokkene ernstig tekortkomt aan zijn verplichtingen als Belgische burger, dat zij na het verlies van de Belgische nationaliteit logischerwijze moet worden beschouwd als vreemdeling en dat artikel 7 van de [wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet)] toepasbaar is op vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven”, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij van oordeel is dat er geen sprake is van enig gebrek aan voorzienbaarheid of transparantie en dat een schending van artikel 8 van het EVRM op die grond niet aannemelijk is. Uit de behandeling supra van het eerste middelonderdeel blijkt dat verzoeksters standpunt als zou zij na het verlies van de Belgische nationaliteit kunnen terugvallen op haar vroeger verblijfsrecht als vreemdeling, faalt naar recht. De vaststelling in het bestreden arrest dat verzoekster op het ogenblik van de aanvankelijk bestreden beslissing nog geen verzoek om internationale bescherming had ingediend, doet geen afbreuk aan het voorgaande.
  7. Verzoekster voert in een tweede grief aan dat de overweging in het bestreden arrest dat de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit ipso facto leidt tot een onwettig verblijf van verzoekster, in strijd is met artikel 8 van het EVRM doordat het criterium van de voorzienbaarheid niet wordt gerespecteerd, evenals met het recht op verdediging en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM.
  8. Mede zoals blijkt uit de behandeling supra van het eerste middelonderdeel, volgt uit verzoeksters vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit dat zij zich als vreemdeling onwettig op het grondgebied bevindt vermits zij noch is gemachtigd noch is toegelaten tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, zoals bepaald in artikel 7 van de vreemdelingenwet. Eerst volgde uit het verwerven van de Belgische nationaliteit het teloorgaan van het verblijfsrecht als vreemdeling. Nadien volgt uit de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit dat de betrokkene, vanaf de overschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand, moet worden beschouwd als vreemdeling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mocht er dus op wettige wijze van uitgaan dat de toestand van onwettig verblijf voorzienbaar is in het geval van vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit. XIV-38.588-3/9 Te dezen werd de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit na een tegensprekelijke procedure uitgesproken met een arrest van het hof van beroep dat kracht van gewijsde heeft gekregen. Overigens heeft verzoekster voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen middel gesteund op de vaststelling dat haar recht van verdediging in die procedure zou zijn geschonden of dat zij tegen de vervallenverklaring van de nationaliteit geen daadwerkelijk rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden. Derhalve is verzoeksters kritiek wat dat betreft kennelijk niet-ontvankelijk. In de mate dat verzoekster laat gelden dat haar recht van verdediging en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel ook worden geschonden doordat er geen afzonderlijke beslissing werd genomen over haar verblijfstoestand, dient te worden opgemerkt dat dergelijke beslissing niet hoefde te worden genomen, net omdat haar onwettig verblijf een gevolg is van de wettelijke regeling inzake de vervallenverklaring van de nationaliteit en omdat het niet in bezit zijn van documenten waaruit blijkt dat de betrokkene is gerechtigd of gemachtigd tot verblijf slechts een loutere vaststelling behelst. Verzoekster heeft wel degelijk het met de aanvankelijk bestreden beslissing opgelegde bevel om het grondgebied te verlaten kunnen aanvechten en kunnen aanvoeren dat en waarom zij meent niet in onwettig verblijf te zijn na de vervallenverklaring van haar Belgische nationaliteit. Zij beschikte dus globaal genomen wel degelijk over een daadwerkelijk rechtsmiddel.
  9. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middelonderdeel
  10. Verzoekster voert aan dat het tijdsverloop tussen de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest in rekening moest worden gebracht bij de beoordeling van de wettigheid van de verwijderingsmaatregel met terugleiding naar de grens, die twee jaar eerder werd opgelegd. Minstens had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoekster moeten aangeven dat de verwerende partij een nieuw onderzoek naar een mogelijke schending van de artikelen 3 en 8 van het EVRM moet voeren op het ogenblik van de tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied te verlaten. XIV-38.588-4/9
  11. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt als annulatierechter de wettigheid van de voor hem bestreden beslissing, te dezen die van de verwerende partij van 11 oktober 2018, aan de hand van de gegevens waarover de verwerende partij beschikte op het ogenblik dat zij die beslissing nam. Concreet stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast “dat verzoekende partij met een zeer uitgebreid betoog tracht aan te tonen dat alsnog een schending moet worden vastgesteld van artikel 3 van het EVRM”, doch hij oordeelt “dat het aan verzoekende partij toekomt om de vinger op de wonde te leggen door duidelijk aan te geven op welk vlak het onderzoek van verwerende partij, rekening houdend met de gegevens die zij kende of hoorde te kennen op het moment dat zij de bestreden beslissing nam, niet zou hebben voldaan, maar zij blijft op dit vlak in gebreke”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “[volstaat] het uitvoerig betoog omtrent de schending van artikel 3 van het EVRM, met een verwijzing naar rapporten over de mensenrechtensituatie in Marokko en de situatie van personen die van terrorisme worden verdacht of ervoor werden veroordeeld, of die ervan worden verdacht de veiligheid van de staat in gevaar te brengen in het bijzonder, naar rechtspraak van het EHRM, naar de elementen die haar eigen profiel kenmerken en naar andere casussen die zij analoog acht aan de hare, […] niet om aan te tonen dat verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing geen deugdelijk onderzoek doorvoerde en artikel 3 van het EVRM zou hebben geschonden”. Bovendien merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op “dat, zoals reeds is gebleken uit de feitenuiteenzetting, verzoekende partij zich, nadat de bestreden beslissing werd genomen, nog tot verschillende instanties heeft gewend om haar argument dat zij bij een terugkeer naar Marokko het risico loopt om te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen of folteringen gegrond te horen verklaren”. Hij verwijst daartoe eerst naar het door verzoekster ingediende verzoek om internationale bescherming van 12 oktober 2018, naar aanleiding waarvan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geoordeeld dat een verwijderingsmaatregel naar Marokko verenigbaar is met de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat artikel 3 van het EVRM inhoudelijk overeenstemt met artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet en verwijst naar de toetsing door de commissaris-generaal die heeft vastgesteld dat in hoofde van verzoekster geen reëel risico op ernstige schade, bestaande uit foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, voorhanden is. Verder wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop “dat niet alleen de Belgische instanties zich hebben XIV-38.588-5/9 gebogen over het door verzoekende partij ingeroepen risico”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast, “mede gelet op het feit dat de meest recente in het verzoekschrift [tot nietigverklaring] aangehaalde informatie dateert van 2018, en zowel het EHRM als het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties het zelfs in de loop van het jaar 2019 niet noodzakelijk hebben gevonden om in te gaan op het verzoek om verzoekende partij niet te repatriëren, […] dat verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat verwerende partij ten onrechte heeft geoordeeld dat geen schending van artikel 3 van het EVRM voorligt”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt ook op dat verzoekster “haar grief inzake artikel 3 van het EVRM reeds in het kader van haar vorderingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid gericht tegen – onder meer – de huidige verwijderingsmaatregel ter beoordeling aan de Raad [heeft] voorgelegd”, dat “in het kader van die opschortende procedure […] de Raad [vermocht], op grond van artikel 39/82, §4 van de vreemdelingenwet, een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek te doen van alle bewijsstukken die hem werden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoekende partij zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid van het EVRM” en dat “op die manier werd voldaan aan de vereiste van het daadwerkelijk rechtsmiddel”. Daarenboven stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog vast “dat verzoekende partij, op het moment van de sluiting van de debatten, nog niet werd verwijderd naar haar herkomstland en dat inmiddels ook het EHRM en het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties zich hebben gebogen over het verzoek om haar niet naar haar land van herkomst te verwijderen wegens het risico op een schending van artikel 3 van het EVRM”, doch dat “noch het EHRM, noch het Mensenrechtencomité […] dit verzoek [hebben] ingewilligd”. Verzoekster ontkracht de voormelde motivering dan ook niet met een loutere verwijzing naar het tijdsverloop tussen de aanvankelijk bestreden beslissing zelf en het bestreden arrest. Tot slot gaat verzoekster eraan voorbij dat, zoals het Grondwettelijk Hof onder meer in zijn arrest nr. 186/2019 van 20 november 2019 heeft geoordeeld dat, in de gevallen waarin een aanzienlijke tijd is verlopen tussen het nemen van het besluit tot verwijdering in de vorm van een bevel om het grondgebied te verlaten en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van dat bevel, de verwerende partij op het ogenblik van die XIV-38.588-6/9 tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied te verlaten een nieuw onderzoek verricht van het risico op schending van de artikelen 3 en 8 van het EVRM, dat schriftelijk moet worden uitgevaardigd, moet worden gemotiveerd en het voorwerp van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan uitmaken. Het valt niet in te zien waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de verwerende partij hierop uitdrukkelijk had moeten wijzen, zoals verzoekster thans voorhoudt.
  12. Het derde middelonderdeel is kennelijk ongegrond. Vierde middelonderdeel
  13. Verzoekster voert in een vierde middelonderdeel aan dat uit het bestreden arrest niet kan worden afgeleid dat zij door haar gedrag een ernstige, daadwerkelijke en actuele bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
  14. Op grond van de motivering op onder meer bladzijde 43 van het bestreden arrest acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het besluit van de verwerende partij dat verzoekster “ook heden nog een gevaar vormt voor de openbare orde en de nationale veiligheid” niet onredelijk. Door de beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing van het actuele gevaar van verzoekster voor de openbare orde en de nationale veiligheid niet als onredelijk te beschouwen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn bevoegdheid als annulatierechter niet overschreden. In de mate dat verzoekster die beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betwist, vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
  15. Het vierde middelonderdeel is kennelijk ongegrond. Vijfde middelonderdeel
  16. Verzoekster voert in een eerste grief aan dat, anders dan in het bestreden arrest wordt geoordeeld, de door haar voorgehouden schending van artikel 3 van XIV-38.588-7/9 het EVRM niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een volledig en nauwgezet onderzoek en niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM.
  17. Uit de behandeling supra van het derde middelonderdeel blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een volledig en nauwgezet onderzoek heeft uitgevoerd in het licht van een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM met de aanvankelijk bestreden beslissing. Uit die behandeling blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn beoordeling zelfs elementen van na die beslissing in zijn beoordeling heeft betrokken, zoals de behandeling van het door verzoekster ingediende verzoek om internationale bescherming en het feit dat zowel het EHRM als het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties het zelfs in de loop van het jaar 2019 niet noodzakelijk hebben gevonden om in te gaan op het verzoek om verzoekster niet te repatriëren. Daarenboven heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vastgesteld dat verzoekster geen concrete nieuwe elementen bijbrengt die tot een andere beoordeling van de mensenrechtensituatie in Marokko kunnen leiden. Verzoekster betwist deze laatste vaststelling niet, minstens geeft zij niet aan welke elementen ten onrechte buiten beschouwing zouden zijn gelaten. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zich zelf een beeld te vormen van een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM vermits hij niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Tot slot dient te worden herhaald dat in het geval van een effectieve verwijdering een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM opnieuw zal moeten worden onderzocht en dat verzoekster desgewenst beroep zal kunnen aantekenen tegen de effectieve verwijderingsbeslissing.
  18. Verzoekster voert in een tweede grief aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na te hebben vastgesteld dat verzoekster nog niet was verwijderd op het ogenblik van de sluiting van het debat, in strijd met de artikelen 3 en 13 van het EVRM heeft geoordeeld dat de zaak niet moest worden uitgesteld om een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM te onderzoeken.
  19. Uit de behandeling supra van het derde middelonderdeel en de eerste grief van het huidige middelonderdeel blijkt dat het door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitgevoerde onderzoek van de voorgehouden schending van XIV-38.588-8/9 artikel 3 van het EVRM niet in strijd was met deze bepaling en dat verzoekster globaal genomen beschikt over een daadwerkelijk rechtsmiddel zodat een schending van artikel 13 van het EVRM evenmin aan de orde is.
  20. Het vijfde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  21. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  22. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een april tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.588-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.284 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.