id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.306 Rolnummer: A. 233076/XIV-38616 Zaak: Cassatiebeschikking 14306 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-10 13:07 Fiche Beschikking nr 14.306 van 13 april 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.306 van 13 april 2021 in de zaak A. é.076/XIV-38.616 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 maart 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 248.622 van 2 februari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 maart 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet XIV-38.616-1/4 relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat hij naar aanleiding van zijn volgend (derde) verzoek om internationale bescherming niet persoonlijk werd gehoord op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en dat de verwerende partij het voormelde verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk heeft verklaard, zonder te motiveren waarom verzoeker niet werd opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beantwoordt deze kritiek in de met toepassing van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) genomen beschikking, die in het bestreden arrest wordt overgenomen, als volgt: “Verzoeker wijst er op dat hij niet werd gehoord door de commissaris-generaal. De Raad wijst verzoeker op de inhoud van artikel 57/5ter, § 2, 3° van de Vreemdelingenwet, dat bepaalt dat het persoonlijk onderhoud niet plaatsvindt wanneer de commissaris-generaal in het geval van artikel 57/6/2 van oordeel is dat hij een beslissing kan nemen op basis van een volledige bestudering van de door verzoeker aan de minister of diens gemachtigde verstrekte elementen, zoals bepaald in artikel 51/
- Het feit dat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, belet de commissaris-generaal overeenkomstig het bepaalde in artikel 57/5ter, § 3 van de Vreemdelingenwet niet een beslissing te nemen over het verzoek om internationale bescherming. Verder wijst de Raad er op dat uit zijn verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker in de gelegenheid werd gesteld nieuwe elementen aan te halen en deze ook verder toe te lichten (stuk 7, verklaring volgend verzoek). Hieruit blijkt dat verzoeker wel degelijk werd gehoord en dat hij zijn nieuwe elementen in het kader van zijn huidig verzoek op nuttige wijze naar voor kon brengen. Tijdens het persoonlijk onderhoud op de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van zijn huidig verzoek werd aan verzoeker verduidelijkt dat het Commissariaat-generaal op grond van zijn verklaringen aldaar na zou gaan of zijn verzoek al dan niet ontvankelijk diende te worden verklaard, en dat het Commissariaat-generaal niet verplicht was om verzoeker voorafgaand nog op te roepen voor een persoonlijk onderhoud. Verzoeker werd hierbij uitdrukkelijk gewezen op het feit dat het essentieel was om alle nieuwe elementen ter staving van zijn verzoek reeds op de Dienst Vreemdelingenzaken aan te brengen. Verzoeker was bijgevolg op de hoogte van de procedure en het belang van zijn verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken.” Met de voorgaande motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij artikel 57/5ter, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet niet geschonden acht doordat de verwerende partij verzoeker niet heeft opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud alvorens haar beslissing te nemen. Verzoeker XIV-38.616-2/4 toont wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet bepaalde jurisdictionele motiveringsplicht.
- Artikel 39/2 van de vreemdelingenwet bepaalt de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doch houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht.
- Op grond van 57/5ter, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet was de verwerende partij er niet toe verplicht verzoeker persoonlijk te horen alvorens haar beslissing te nemen. Artikel 57/5ter, § 3, van die wet bepaalt zelfs uitdrukkelijk dat het feit dat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, de verwerende partij niet belet een beslissing te nemen over het verzoek om internationale bescherming. Daarenboven heeft het tegen de beslissing van de verwerende partij ingestelde beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een devolutief karakter waardoor deze laatste kennis neemt van de zaak in haar geheel en verzoeker er alle argumenten die hij eventueel op het commissariaat-generaal had willen aanvoeren alsnog kan voorleggen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.616-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien april tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.616-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div