← België

Cassatiebeschikking 14373 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.373 Rolnummer: A. 233171/XIV-38631 Zaak: Cassatiebeschikking 14373 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-10 17:51 Fiche Beschikking nr 14.373 van 12 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.373 van 12 mei 2021 in de zaak A. é.171/XIV-38.631 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 maart 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 248.937 van 11 februari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 april 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als administratieve XIV-38.631-1/5 cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoeker kan derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de aanvankelijk bestreden beslissing onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen.
  2. Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar artikel 47/1, § 1, van de vreemdelingenwet. Hij zet nergens uiteen op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest en er wordt in het bestreden arrest ook geen toepassing gemaakt van deze bepaling, zodat een schending ervan thans niet op ontvankelijke wijze wordt opgeworpen.
  3. Verzoeker verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit zou blijken dat de herkomst van de inkomsten, bedoeld in artikel 7.1, c), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’ (hierna: richtlijn 2004/38) niet beslissend is en dat het inkomen dat de gezinshereniger moet bewijzen dus niet noodzakelijk afkomstig moet zijn van hemzelf maar ook van een familielid of van een andere derde, voor zover dit inkomen stabiel, regelmatig en toereikend is. Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit, de zoon is van een Belgische vrouw die niet haar recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft uitgeoefend. Het betreft dus een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn XIV-38.631-2/5 op grond van de nationale wettelijke regeling waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht. Verzoekers aanvraag, die tot de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zogenaamde “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. Stukken Kamer, nr. 53/0443-14, 150). Aan deze keuze werd geen afbreuk gedaan door de wijziging van artikel 40ter van de vreemdelingenwet door de wet van 4 mei 2016 ‘houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen’. Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht kan verzoeker niet dienstig verwijzen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de interpretatie van richtlijn 2004/
  4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest op wettige wijze geoordeeld “dat het in casu een louter internrechtelijke situatie betreft zonder communautaire aspecten”.
  5. Het Grondwettelijk Hof heeft reeds in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 geoordeeld dat de wetgever, door inzake gezinshereniging aan een Belg striktere voorwaarden op te leggen dan ten aanzien van een niet-Belgische Europese burger, een relevante maatregel heeft genomen in het licht van de doelstelling om de migratiestromen te beheersen die door de gezinshereniging ontstaan en dat het opleggen aan de Belgische gezinshereniger van striktere inkomensvoorwaarden een relevante maatregel is om het voortbestaan van het socialebijstandsstelsel en het verblijf van de familieleden van de XIV-38.631-3/5 gezinshereniger in menswaardige omstandigheden te verzekeren. Verder heeft het Hof in zijn arrest nr. 149/2019 van 24 oktober 2019 de interpretatie aanvaard dat de in artikel 40ter van de vreemdelingenwet bedoelde bestaansmiddelen in hoofde van de Belgische gezinshereniger die niet zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, “uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen van de gezinshereniger dienen te zijn”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft artikel 40ter van de vreemdelingenwet niet geschonden door te oordelen dat te dezen enkel de bestaansmiddelen van de gezinshereniger zelf in aanmerking mochten worden genomen.
  6. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in andere arresten een ander standpunt zou hebben ingenomen, houdt geen schending in van de motiveringsplicht, daargelaten het gegeven dat die arresten geen precedentenwerking hebben.
  7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.631-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf mei tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.631-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.