id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.374 Rolnummer: A. 233258/XIV-38641 Zaak: Cassatiebeschikking 14374 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-10 17:52 Fiche Beschikking nr 14.374 van 12 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.374 van 12 mei 2021 in de zaak A. é.258/XIV-38.641 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- XXX
- XXX
- XXX
- XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eva Vangoidsenhoven kantoor houdend te 3001 Heverlee Interleuvenlaan 62 bij wie woonplaats wordt gekozen ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 maart 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 249.979 van 25 februari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 april 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.641-1/4 Eerste middel
- In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de Kroatische autoriteiten op het ogenblik dat de huidige verzoekende partij de beslissing nam die heeft geleid tot het bestreden arrest, inderdaad het terugnameverzoek van de Belgische autoriteiten hadden ingewilligd, doch dat de huidige verzoekende partij op grond van dit element alleen niet de absolute zekerheid kon hebben dat de huidige verweerders daadwerkelijk aan de Kroatische autoriteiten zouden worden overgedragen en Kroatië dus kon worden beschouwd als land van verblijf in de zin van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat de huidige verzoekende partij is tekortgeschoten in haar zorgvuldigheidsplicht door ervoor te opteren om de door de huidige verweerders op grond van het voornoemde artikel 9ter ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf exclusief te behandelen in het licht van de situatie in Kroatië en niet ook in het licht van de door de huidige verweerders in deze aanvraag aangehaalde situatie in hun land van herkomst, Jemen. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, verwacht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet van haar dat zij rekening zou houden met feiten die dateren van na de beslissing die tot het bestreden arrest heeft geleid doch enkel met het feit dat er op het ogenblik van die beslissing nog geen absolute zekerheid bestond over de daadwerkelijke overdracht van de huidige verweerders aan Kroatië en dat de verweerders in hun aanvraag hadden gewezen op de toestand in Jemen. Het eerste middelonderdeel mist in die mate feitelijke grondslag.
- Door te oordelen dat de huidige verzoekende partij aldus onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van haar beslissing, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet in de plaats van het bestuur gesteld en derhalve zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde annulatiebevoegdheid niet overschreden. Het eerste middelonderdeel is in die mate kennelijk ongegrond. XIV-38.641-2/4
- Door vast te stellen dat de Kroatische autoriteiten op het ogenblik dat de huidige verzoekende partij de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestreden beslissing nam inderdaad het terugnameverzoek van de Belgische autoriteiten hadden ingewilligd, doch dat de huidige verzoekende partij op grond van dit element alleen niet de absolute zekerheid kon hebben dat de huidige verweerders daadwerkelijk aan de Kroatische autoriteiten zouden worden overgedragen en Kroatië dus kon worden beschouwd als land van verblijf in de zin van artikel 9ter van de vreemdelingenwet en door aan te halen dat de verweerders in hun aanvraag hadden gewezen op de toestand in Jemen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel gewezen op de mogelijkheden ten tijde van die beslissing doch zich niet uitgesproken over het bestaan of de uitvoerbaarheid van de door de verwerende partij op 7 januari 2020 genomen beslissingen tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlagen 26quater) noch de inhoud van deze beslissingen miskend zodat de bewijskracht van deze stukken zou zijn geschonden. Het tweede middelonderdeel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Uit de behandeling van het eerste middel blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op wettige wijze vermocht vast te stellen dat er op het ogenblik dat de voor hem aangevochten beslissing geen absolute zekerheid bestond dat de huidige verweerders daadwerkelijk zouden worden overgedragen. Deze vaststelling in het bestreden arrest doet geen afbreuk aan en miskent niet het feit dat de verzoekende partij er op grond van artikel 51/5, § 4, eerste lid, van de vreemdelingenwet toe was gehouden een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te nemen, hetgeen de verzoekende partij ook effectief had gedaan op 7 januari
- In het bestreden arrest wordt immers niet gesteld dat de verweerders niet konden of mochten worden verwijderd naar Kroatië, enkel dat het nog niet zeker was dat zij effectief zouden worden overgedragen aan Kroatië. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.641-3/4
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf mei tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.641-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div