id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.375 Rolnummer: A. 233278/XIV-38644 Zaak: Cassatiebeschikking 14375 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-18 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 17:53 Fiche Beschikking nr 14.375 van 12 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE D E TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.375 van 12 mei 2021 in de zaak A. é.278/XIV-38.644 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 maart 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 249.393 van 18 februari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 april 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters beroep heeft verworpen tegen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus. XIV-38.644-1/4
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoekster laat gelden dat in het bestreden arrest geen antwoord wordt gegeven op haar argument dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn beslissing niet heeft uiteengezet waarom de in artikel 57/6/1, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bedoelde beslissingstermijn van 15 werkdagen niet werd gerespecteerd. Met de overwegingen in zijn met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking, die in het bestreden arrest worden herhaald, dat de vreemdelingenwet geen sanctie voorziet bij het overschrijden van de voornoemde beslissingstermijn, dat uit het overschrijden van die termijn geen bevoegdheidsverlies volgt en dat er evenmin uit volgt dat niet langer zou kunnen worden vastgesteld dat verzoekster afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van artikel 57/6/1, § 3, van de vreemdelingenwet, en dat geen enkele wettelijke bepaling er de commissaris-generaal toe verplicht uiteen te zetten waarom de wettelijk bepaalde termijn niet kon worden gerespecteerd, wordt verzoeksters desbetreffende kritiek duidelijk beantwoord.
- Met toepassing van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet kan de commissaris-generaal in de in die bepaling vermelde gevallen “een verzoek om internationale bescherming volgens een versnelde procedure behandelen”. In die gevallen geldt een beslissingstermijn van 15 werkdagen. Overeenkomstig artikel 39/57, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet bedraagt de termijn om tegen dergelijke beslissing beroep aan te tekenen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen 10 dagen, dit in plaats van de gewone beroepstermijn van 30 dagen. XIV-38.644-2/4 De voornoemde beslissingstermijn van 15 dagen is een termijn van orde waarvan de overschrijding enkel tot gevolg heeft dat niet meer de verkorte doch de gewone beroepstermijn van 30 dagen van toepassing is. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet binnen een termijn van 15 dagen was genomen (hoewel de verwerende partij de toepassing had aangekondigd van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet). Het gevolg hiervan is dus enkel dat verzoekster beschikte over een beroepstermijn van 30 dagen. De supra in punt 2 aangehaalde motieven van het bestreden arrest zijn derhalve niet onwettig. In het licht hiervan is ook de beoordeling in het bestreden arrest niet onwettig dat niet valt in te zien welk nadeel verzoekster zou hebben geleden doordat de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming (aanzienlijk) langer heeft geduurd dan de in artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet voorziene termijn van 15 werkdagen. Daarenboven heeft het tegen de beslissing van de verwerende partij ingestelde beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een devolutief karakter waardoor deze laatste kennis neemt van de zaak in haar geheel, zonder enig ander gevolg door het overschrijden van de meergenoemde termijn met de voor hem aangevochten beslissing dan dat de beroepstermijn 30 dagen in plaats van 10 dagen bedraagt.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.644-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf mei tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.644-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.375 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div