← België

Cassatiebeschikking 14376 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.376 Rolnummer: A. 233404/XIV-38658 Zaak: Cassatiebeschikking 14376 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-10 17:53 Fiche Beschikking nr 14.376 van 12 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr.14.376 van 12 mei 2021 in de zaak A. é.404/XIV-38.658 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liliane Verjauw kantoor houdend te 2600 Berchem Anna Bijnsstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 april 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 250.521 van 8 maart 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 april 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de schending aangevoerd van artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) en van het “algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld” en hij vermag dit niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie te doen. XIV-38.658-1/3 Bovendien is artikel 6 van het EVRM, zoals herhaaldelijk bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  3. In de overwegingen 3.3.2.
  4. tot en met 3.3.2.
  5. van het bestreden arrest zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op gemotiveerde wijze uiteen waarom verzoekers argumentatie dat in de aanvankelijk bestreden beslissing onterecht is geoordeeld dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en dat de beslissing tot beëindiging van zijn verblijf onevenredig is, niet kan worden aanvaard. In het voorliggende cassatieberoep voert verzoeker met betrekking tot de opgeworpen schending van de artikelen 44bis en 45 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ aan dat de beoordeling dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid steunt op niet bewezen feiten. Er wordt aangenomen dat hij aan de wieg zou hebben gestaan van de terroristische organisatie Sharia4Belgium en dat hij voorstander zou zijn van het omverwerpen van de democratie en van groeperingen zoals Al Qaeda en ISIS. Verzoeker is echter nooit vervolgd voor een terroristisch misdrijf, laat staan ervoor veroordeeld. Daarnaast wordt gesteund op twee processen-verbaal, maar die zijn door het openbaar ministerie geseponeerd. Er wordt ook verwezen naar strafrechtelijke veroordelingen van twintig jaar geleden, maar er kan onmogelijk worden aangenomen dat die feiten nog bijdragen tot een actuele en reële dreiging voor de nationale veiligheid. Voorts voert verzoeker aan dat in de bestreden beslissing elke proportionaliteit zoek is, gelet op zijn sociaal, familiaal, cultureel en economisch leven. Verzoeker wijst er daarbij op dat hij na zijn veroordelingen nog een verblijfsrecht kreeg op basis van gezinshereniging met zijn vrouw. Met deze argumenten doet verzoeker niets anders dan het betwisten van de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Hij nodigt de Raad van State uit die beoordeling over te doen en te oordelen dat wel ten onrechte is besloten dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en dat de beslissing tot beëindiging van zijn verblijf wel onevenredig is. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden en de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen.
  6. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.658-2/3 Tweede middel
  7. De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Voorts kan de Raad van State zich niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing afdoende is of niet.
  8. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  10. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf mei tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.658-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.