← België

Cassatiebeschikking 14378 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.378 Rolnummer: A. 233262/XIV-38642 Zaak: Cassatiebeschikking 14378 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-28 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 17:55 Fiche Beschikking nr 14.378 van 26 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.378 van 26 mei 2021 in de zaak A. é.262/XIV-38.642 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 maart 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 249.343 van 18 februari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 april 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In de mate dat verzoeker zich beroept op het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, gewaarborgde vermoeden van onschuld en zwijgrecht, dient te worden herhaald, zoals het Europees Hof voor de Rechten van Mens herhaaldelijk heeft gesteld en ook in het bestreden arrest op wettige wijze wordt overwogen, XIV-38.642-1/3 dat deze verdragsbepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  2. Verder gaat verzoeker eraan voorbij dat de verwerende partij in de beslissing tot het opleggen van een inreisverbod niet minder dan 13 strafrechtelijke veroordelingen van verzoeker heeft aangehaald en daarna heeft verwezen naar de aanhouding van verzoeker wegens inbreuken op de drugwetgeving waarvoor hij veroordeeld kan worden en waarvoor ernstige aanwijzingen van schuld bestaan. De verwerende partij heeft daaruit afgeleid dat een gevaar op recidive bestaat gezien de herhaaldelijke veroordelingen en dat een groot gevaar voor de openbare veiligheid bestaat gezien de zwaarwichtigheid van de feiten. Vervolgens heeft de verwerende partij nog vastgesteld dat verzoeker (andermaal) een inbreuk heeft gepleegd op de door de strafuitvoeringsrechtbank opgelegde voorwaarde dat hij gedurende 10 jaar na de uitvoering van het vonnis niet in België mag zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dan ook op wettige wijze te oordelen dat het vermoeden van onschuld de verwerende partij niet belet op grond van een eigen onderzoek een standpunt in te nemen met betrekking tot het gedrag van verzoeker in het licht van feiten die nog niet tot een – definitieve – strafrechtelijke veroordeling hebben geleid, dat de verwerende partij in het kader van dit onderzoek het strafrechtelijk verleden van verzoeker mee in acht kan nemen, wat in dit geval ernstig is en waardoor verzoeker kan worden geacht een gevaar te zijn voor de openbare orde. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt nog vast dat het louter ontkennen van gepleegde feiten geen afbreuk doet aan voorgaande. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst verzoekers kritiek dus niet af omdat verzoeker louter de feiten ontkent en niet verder ingaat op de strafzaak, hij stelt enkel vast dat verzoeker daarmee geen afbreuk doet aan de voorgaande vaststellingen. Verzoekers kritiek berust in die mate op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.642-2/3
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.642-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.378 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.