← België

Cassatiebeschikking 14404 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.404 Rolnummer: A. 233361/XIV-38650 Zaak: Cassatiebeschikking 14404 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-11 01:03 Fiche Beschikking nr 14.404 van 7 juni 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.404 van 7 juni 2021 in de zaak A. é.361/XIV-38.650 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Vrijens kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 641 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 april 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 250.413 van 4 maart 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 mei 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), is, zoals het Europees Hof voor de Rechten van Mens herhaaldelijk heeft gesteld, niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. XIV-38.650-1/3 De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Voorts treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en kan hij zich dus niet in de plaats van de eerste rechter stellen om zelf te onderzoeken of de aanvankelijk bestreden beslissing op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, afdoende is gemotiveerd en al dan niet is behept met een “manifeste appreciatiefout”. Het eerste middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  3. In de mate dat verzoeker aanvoert dat het bestreden arrest “onvoldoende gemotiveerd” is, kan worden aangenomen dat hij een schending van de jurisdictionele motiveringsplicht opwerpt. Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest niet gemotiveerd waarom hij, zonder enige veroordeling, actueel een gevaar voor de openbare orde zou betekenen. Hij gaat er met die algemene bewering echter aan voorbij dat in de punten 2.7 en 2.8 van het bestreden arrest uitgebreid wordt ingegaan op de desbetreffende motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. Verder wordt volgens verzoeker in het bestreden arrest niet gemotiveerd waarom geen rekening moest worden gehouden met de hem door de kamer van inbeschuldigingstelling opgelegde voorwaarden. Met die algemene bewering gaat verzoeker voorbij aan de omstandige motivering dienaangaande in punt 2.9 van het bestreden arrest. Het eerste middel is in die mate kennelijk ongegrond. Tweede (genoemd “derde”) middel
  4. Verzoeker ontwikkelt in het middel geen eigenlijke schending van artikel 8 van het EVRM maar beperkt zijn kritiek ertoe dat hij niet afdoende en correct zou zijn gehoord en dat in het bestreden arrest niet zou zijn gemotiveerd waarom er in casu geen schending van de hoorplicht zou zijn. XIV-38.650-2/3 Verzoeker gaat voorbij aan de omstandige motivering dienaangaande in punt 2.11 van het bestreden arrest en hij ontkracht deze motieven derhalve niet. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven juni tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.650-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.