← België

Cassatiebeschikking 14405 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.405 Rolnummer: A. 233459/XIV-38671 Zaak: Cassatiebeschikking 14405 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-11 01:04 Fiche Beschikking nr 14.405 van 7 juni 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.405 van 7 juni 2021 in de zaak A. é.459/XIV-38.671 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1000 Brussel Congresstraat 49 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 april 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 251.137 van 17 maart 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 mei 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De verzoekers houden in essentie voor dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben uiteengezet dat de blokkade van de Gazastrook een daad van vervolging vormt in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) doch dat deze argumentatie in het bestreden arrest niet wordt beantwoord en enkel wordt onderzocht in het kader van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet. XIV-38.671-1/3 In het bestreden arrest wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in fine van de “beoordeling in het licht van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet” erop dat, “in zoverre [de verzoekers] in het verzoekschrift aanhalen dat zij eveneens de algemene actuele situatie in Gaza vrezen, […] deze vrees onderzocht wordt in het kader van de beoordeling van een eventuele nood aan subsidiaire bescherming” en verwijst hij naar hetgeen volgt. Vervolgens wordt onder het kopje “beoordeling in het licht van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet” uitgebreid en concreet ingegaan op de actuele humanitaire, socio-economische en veiligheidssituatie in de Gazastrook, waarbij ook de individuele situatie van de verzoekers wordt onderzocht. Er wordt uitgebreid ingegaan op alle vormen van geweld. Hierna overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk dat “ingevolge bovenstaande vaststellingen […] verzoekers niet als vluchteling [kunnen] worden erkend in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet” en vervolgens dat verzoekers evenmin aantonen dat zij in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet met betrekking tot de toekenning van de vluchtelingenstatus. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van een uitgebreide analyse van de algemene toestand in Gaza en de individuele situatie van de verzoekers zowel tot weigering van de erkenning als vluchteling als tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus besluit. In die mate mist de kritiek van de verzoekers feitelijke grondslag. Met een citaat van hun voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangehaalde argumentatie geven de verzoekers niet aan in welke mate de concreet gemaakte beoordeling door de Raad van Vreemdelingenbetwistingen tekort zou schieten of tot een andere beoordeling zou kunnen leiden wat de vluchtelingenstatus betreft, a fortiori tonen zij dit niet aan. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. XIV-38.671-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven juni tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.671-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.