← België

Cassatiebeschikking 14406 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.406 Rolnummer: A. 233358/XIV-38648 Zaak: Cassatiebeschikking 14406 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-11 01:05 Fiche Beschikking nr 14.406 van 7 juni 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.406 van 7 juni 2021 in de zaak A. é.358/XIV-38.648 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franz Geleyn kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 april 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 250.096 van 26 februari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 april 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. De door verzoeker bijgebrachte medische attesten, waaronder het thans in het cassatieberoep besproken attest van 27 juni 2018, worden vermeld in de beslissing van de verwerende partij die heeft geleid tot het bestreden arrest. In die beslissing wordt overwogen dat diverse artsen diverse littekens en andere lichamelijke ongemakken XIV-38.648-1/5 hebben vastgesteld, dat het niet tot de bevoegdheid van de arts behoort om de omstandigheden vast te stellen waarin die littekens werden opgelopen en dat de attesten dus de littekens en andere lichamelijke ongemakken bevestigen, maar geen uitsluitsel bieden over de omstandigheden waarin verzoeker deze heeft opgelopen. Wat die beoordeling betreft, heeft verzoeker zich in het verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beperkt tot een verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 9 maart 2010 in de zaak nr. 41827/07, R.C. tegen Zweden, waarvan hij heeft gesteld dat een medisch attest dat verklaringen van een verzoeker met betrekking tot ondergane onmenselijke handelingen bevestigt, een weerlegbaar vermoeden creëert en een omkering van de bewijslast in het leven roept, en dat de verwerende partij die medische attesten dus niet naast zich neer kon leggen door te stellen dat het niet tot de bevoegdheid van de arts behoort om de omstandigheden vast te stellen waarin de littekens werden opgelopen.
  3. Het EHRM acht in zijn arrest van 19 september 2013 in de zaak nr. 10466/11, R.J. tegen Frankrijk, onvoldoende de motivering in een vonnis dat een medisch attest het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de medische vaststellingen en de verklaringen van de verzoeker niet rechtvaardigt. Het EHRM verwijst naar het recente en ernstige karakter van de verwondingen die op gedetailleerde wijze zijn weergegeven in het medisch attest van R.J. en die overeenstemmen met het asielrelaas. Het EHRM is in die zaak van oordeel dat de sterke vermoedens over de oorsprong van de verwondingen van de betrokkene niet worden weggenomen door zich in het desbetreffende vonnis enkel te beroepen op het onvolledige karakter (“caractère lacunaire”) van het asielrelaas. Anders dan in de voornoemde zaak, gaat het te dezen niet enkel om een gebrekkig asielrelaas of een relaas met leemtes. Zo komt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op grond van omstandig ontwikkelde en concrete motieven, die zowel betrekking hebben op algemene informatie als op (tegenstrijdigheden en inconsistenties in) verzoekers verklaringen tot de vaststelling dat geen geloof kan worden gehecht aan de door verzoeker voorgehouden vervolgingsfeiten ten gevolge van zijn vakbondsactiviteiten in Angola. XIV-38.648-2/5 Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na de rechtspraak van het EHRM betreffende medische attesten in verzoeken om internationale bescherming te hebben geduid, dat verzoekers medische attesten melding maken van diverse littekens op het lichaam en andere ongemakken, dat niet wordt getwijfeld aan de bewijskracht van deze stukken, dat de bewijswaarde ervan een feitelijke appreciatie betreft waarbij rekening wordt gehouden met het geheel van de voorliggende elementen en dat een medisch of psychologisch rapport niet als alleenstaand kan worden beschouwd. Hij is van oordeel dat de kwestieuze stukken geen sluitend bewijs leveren voor de omstandigheden waarin de genoemde letsels werden opgelopen, noch voor het feit dat ze werden opgelopen voordat verzoeker zijn land van herkomst verliet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat in het licht van het gehele dossier, de medische attesten de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet kunnen herstellen noch het bestaan van een risico op mishandeling bij terugkeer naar Angola aannemelijk maken.
  4. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van de medische attesten erkent doch de bewijswaarde ervan beoordeelt in het licht van een ongeloofwaardig bevonden relaas en daarbij vaststelt dat uit die attesten niet met zekerheid blijkt dat verzoeker de erin vermelde letsels heeft opgelopen voor het vertrek uit zijn land van herkomst. Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag hij dus niet zelf de medische attesten te toetsen aan de andere elementen uit het dossier. Verder gaat verzoeker thans voor het eerst in de graad van administratieve cassatie uitgebreid in op de inhoud van het medisch attest van 27 juni 2018, waarvan hij de verschillende vaststellingen concreet aanhaalt en situeert. Hij heeft deze argumentatie niet aangehaald voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen alhoewel het een beroep met hervormingsbevoegdheid betrof. Evenmin voert verzoeker aan dat hij niet in de mogelijkheid was die argumentatie te ontwikkelen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  5. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel XIV-38.648-3/5
  6. In punt 17 van het bestreden wordt vastgesteld dat uit verzoekers psychologische attesten van 27 juni 2018, 14 juni 2019 en 10 juni 2020 blijkt dat verzoeker psychisch lijdt (slaapproblemen, verlies van levenszin, schuldgevoelens) en dat hij daarvoor medicatie heeft gekregen van zijn arts en door een psycholoog wordt opgevolgd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt vervolgens op dat echter nergens wordt vermeld dat verzoekers cognitief geheugen zou zijn aangetast waardoor hij in de onmogelijkheid zou zijn concrete gegevens en gebeurtenissen op een correcte wijze mee te delen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat uit de attesten aldus niet is op te maken dat verzoekers psychische problematiek hem verhindert om op volwaardige wijze verklaringen af te leggen over de redenen van zijn verzoek om internationale bescherming en dat de attesten derhalve geen nuttige verklaring bieden voor verzoekers tegenstrijdige verklaringen. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met die beoordeling de bewijskracht van de kwestieuze psychologische attesten zou hebben geschonden. Verder blijkt uit de supra aangehaalde motieven van het bestreden arrest dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die attesten wel degelijk in zijn beoordeling heeft betrokken en op concreet gemotiveerde wijze aangeeft waarom die attesten niet kunnen leiden tot een andere beoordeling van de zaak.
  7. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.648-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven juni tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.648-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.