← België

Cassatiebeschikking 14439 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.439 Rolnummer: A. 233533/XIV-38681 Zaak: Cassatiebeschikking 14439 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-11 01:13 Fiche Beschikking nr 14.439 van 18 juni 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.439 van 18 juni 2021 in de zaak A. é.533/XIV-38.681 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent Neerinckx kantoor houdend te 9140 Temse Akkerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 april 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 252.016 van 31 maart 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 mei 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet XIV-38.681-1/4 relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Naar luid van artikel 9bis, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) kan de machtiging tot verblijf worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar de vreemdeling verblijft “in buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt”.
  4. De verzoekers hadden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer aangevoerd dat het “manifest onredelijk” is de aangevoerde omstandigheden, met name het verblijf van circa tien jaar op het grondgebied van het Rijk en het feit dat eerste verzoeker al elf jaar drie maal per week een hemodialyse ondergaat in het ziekenhuis te Turnhout, niet als “verankering” te willen beschouwen. In het bestreden arrest acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst de desbetreffende motieven van de voor hem bestreden beslissing niet onredelijk, met name dat een attest van inschrijving, afgegeven wanneer een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet ontvankelijk wordt verklaard, geen verblijfstitel is doch enkel een proceduredocument, dat een eventuele schending van de redelijke termijn geen verblijfsrecht doet ontstaan in hoofde van de betrokkenen en dat tweede verzoekster nooit deel heeft uitgemaakt van de aanvragen op grond van het voornoemde artikel 9ter en nooit in het bezit is geweest van een attest van inschrijving. Wat de argumentatie van de verzoekers betreft dat zij tien jaar hebben moeten wachten op een definitieve beslissing inzake de medische verblijfsaanvraag, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat artikel 9bis van de vreemdelingenwet als uitzonderingsprocedure restrictief moet worden toegepast zodat het de verwerende partij niet toekomt om hiervan af te wijken uit welwillendheid en dat het verder een loutere opportuniteitskritiek betreft. Hieruit blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zowel de duur van de verblijfsprocedure als de jarenlange medische behandeling van eerste verzoeker heeft betrokken in zijn beoordeling van de wettigheid van de voor hem bestreden beslissing. XIV-38.681-2/4 Vervolgens gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in op de argumentatie dat een “verankering” niet enkel het gevolg kan zijn van “hechte sociale banden” of van “enige vorm van afhankelijkheid”, maar ook van de onredelijk lange medische verblijfsprocedure in combinatie met de jarenlange zware medische behandeling van eerste verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert hierop uit de voor hem bestreden beslissing dat de verzoekers niet aantonen dat zij in hun privéleven zodanige hechte sociale banden hebben opgebouwd of dat er sprake is van enige vorm van afhankelijkheid die het onmogelijk maakt om terug te keren naar het land van herkomst en er via de gewone weg een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. Uit die beslissing wordt ook geciteerd dat de verzoekers hun beweringen niet staven dat een aantal familieleden in België zouden verblijven en niet (meer) in Armenië. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de verzoekers “met hun vage betoog” en met “een herhaling van wat zij in hun machtigingsaanvraag hebben uiteengezet” de voornoemde motieven niet ontkrachten. Hij overweegt dat de in artikel 9bis van de vreemdelingenwet bedoelde buitengewone omstandigheden erin bestaan “dat concreet wordt aangetoond dat het voor de betrokkene(n) uiterst moeilijk, zoniet onmogelijk is om de aanvraag in te dienen via de reguliere procedure”. Het volstaat inderdaad dat blijkt dat het in de concrete omstandigheden van de zaak niet uiterst moeilijk is om terug te keren naar het land van herkomst om er een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft op die wijze de kritiek van de verzoekers beantwoord door te oordelen dat het “bijgevolg […] geenszins onredelijk, noch onwettig [is] om te oordelen dat het niet volstaat om louter gewag te maken van een verankering ten gevolge van een langdurige medische verblijfsprocedure en om de beweerde verankering niet als buitengewone omstandigheid in aanmerking te nemen”. Verder dient te worden opgemerkt dat artikel 9bis van de vreemdelingenwet het begrip “verankering” niet vermeldt als ontvankelijkheidsvoorwaarde maar wel het begrip “buitengewone omstandigheden”. Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf wat het bestaan of de al dan niet redelijke beoordeling van de als dusdanig aangevoerde buitengewone omstandigheden betreft.
  5. De beide middelen zijn, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.681-3/4 BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien juni tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.681-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.439 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.