id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.446 Rolnummer: A. 233528/XIV-38680 Zaak: Cassatiebeschikking 14446 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-24 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-11 01:15 Fiche Beschikking nr 14.446 van 22 juni 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.446 van 22 juni 2021 in de zaak A. é.528/XIV-38.680 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 april 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 251.343 van 22 maart 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is aangekomen ter griffie op 26 mei
- Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te XIV-38.680-1/5 voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en vormen derhalve een gemis aan motivering.
- Anders dan verzoeker voorhoudt, is de motivering van het bestreden arrest niet tegenstrijdig waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enerzijds overweegt “dat niet van [verzoeker] kan worden verwacht dat hij zijn homoseksualiteit verbergt of zich terughoudend moet opstellen in de uiting van zijn geaardheid” en anderzijds de verwerende partij bijtreedt waar deze in haar beslissing vaststelt dat uit verzoekers verklaringen niet blijkt dat hij omwille van zijn homoseksualiteit “altijd al” een onderdrukt leven moest leiden, zijn geaardheid niet kon beleven, zich niet kon outen en niet kon tonen wie hij werkelijk was. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt en beoordeelt hiermee immers enkel overwegingen in de beslissing van de verwerende partij die een antwoord vormen op verzoekers eigen verklaringen tijdens het persoonlijk onderhoud dat hij omwille van zijn homoseksualiteit “altijd al” een onderdrukt leven moest leiden, zijn geaardheid niet kon beleven, zich niet kon outen en niet kon tonen wie hij werkelijk was. Hieruit blijkt ook niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanneemt dat verzoeker zijn geaardheid gedeeltelijk heeft moeten verbergen of moet verbergen bij een terugkeer naar het land van herkomst. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt omstandig dat in El Salvador sprake is van homofobie, discriminatie en geweld tegen homoseksuelen en dat ook de bendes homoseksuelen als doelwit blijken te nemen, doch hij vervolgt dat, “hoewel uit het voorgaande kan blijken dat personen met een homoseksuele geaardheid een hoger risico lopen om het slachtoffer te worden van bepaalde feiten, […] er [niet] uit [kan] worden besloten dat iedere homoseksueel in El Salvador het risico loopt om het slachtoffer te worden van vervolging”, dat “een individuele beoordeling van het verzoek om internationale bescherming bijgevolg noodzakelijk [blijft]”, dat “het […] daarbij aan verzoeker toe[komt] om op basis van zijn individuele omstandigheden een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken en dat “daarbij […] rekening [moet] worden gehouden met de omstandigheid dat hij ook te maken kan krijgen met bendegeweld bij terugkeer en met het gegeven dat er in El Salvador, ondanks een wettelijk kader, geen garantie is op een daadwerkelijke bescherming hiertegen door de Salvadoraanse autoriteiten”. Dit uitgangspunt wordt in aanmerking genomen voor een uitgebreide individuele beoordeling, waarin wordt XIV-38.680-2/5 besloten, ook in het licht van een aantal ongeloofwaardig bevonden verklaringen, dat, “het geheel aan documenten en de verklaringen van verzoeker in acht genomen en bezien in hun onderlinge samenhang, alsook de individuele omstandigheden van verzoeker in acht genomen en cumulatief beoordeeld en afgewogen in het licht van de door beide partijen aangereikte landeninformatie over de situatie van homoseksuelen in El Salvador, […] verzoeker een gegronde vrees voor persoonlijke vervolging omwille van zijn geaardheid niet concreet aannemelijk maakt”. Deze motivering is niet tegenstrijdig. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon ook op wettige wijze ingaan op het al dan niet bestaan van vervolging in het verleden vermits verzoeker zelf had verwezen naar artikel 48/7 van de vreemdelingenwet. Dit betekent geenszins dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een vervolging in het verleden als voorwaarde heeft gesteld om erkend te kunnen worden als vluchteling.
- Uit het voorgaande blijkt dat in die mate geen schending voorligt van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet, gelezen samen met de artikelen 2, d), 9 en 10 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’, noch met de uitlegging die het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gegeven in zijn arrest van 7 november 2013 in de zaken C-199/12 tot en met C-201/12, X., Y. en Z. tegen Duitsland.
- Daargelaten de vaststelling dat noch de aanvankelijk bestreden beslissing noch het bestreden arrest een verwijderingsmaatregel bevat, heeft verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending van artikel 3 van het EVRM opgeworpen. Verzoeker werpt thans ook geen schending op van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet, waarin de inhoud van artikel 3 van het EVRM wordt hernomen. Met verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 17 november 2020 in de zaken 889/19 en 43987/16, B. en C. tegen Zwitserland, stelt verzoeker dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte geen onderzoek heeft gevoerd naar beschermingsmogelijkheden tegen homofoob geweld in geval van terugkeer naar El Salvador. Verzoeker gaat er echter aan voorbij dat in het bestreden arrest geen geloof wordt gehecht aan de voorgehouden problemen in verband met verzoekers XIV-38.680-3/5 seksuele geaardheid en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook grondig de (algemene) situatie voor homoseksuelen in El Salvador heeft onderzocht, waaruit hij heeft besloten dat niet blijkt dat verzoeker louter omwille van zijn seksuele geaardheid en zijn aanwezigheid in El Salvador een risico loopt om te worden geviseerd of vervolgd, zodat rekening moet worden gehouden met de individuele en concrete omstandigheden van de zaak. Vervolgens heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de concreet door verzoeker ingeroepen (individuele) elementen onderzocht. Met de omstandig gemotiveerde beoordeling dat verzoeker niet in concreto aantoont dat hij bij een terugkeer naar El Salvador een vrees voor vervolging heeft omwille van zijn seksuele geaardheid, noch dat de situatie in El Salvador voor verzoeker als homoseksueel ondraaglijk zou zijn, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat en waarom geen nader onderzoek naar beschermingsmogelijkheden voor verzoeker was vereist.
- Verzoeker verwijst in het opschrift van het enige middel naar artikel 13 van het EVRM doch hij zet nergens uiteen op welke wijze die verdragsbepaling zou zijn geschonden door het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.680-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig juni tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.680-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.446 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div