id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.448 Rolnummer: A. 233572/XIV-38687 Zaak: Cassatiebeschikking 14448 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-11 01:16 Fiche Beschikking nr 14.448 van 22 juni 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.448 van 22 juni 2021 in de zaak A. é.572/XIV-38.687 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 april 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 251.727 van 26 maart 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 mei 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. XIV-38.687-1/4 Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat hij naar aanleiding van zijn volgend verzoek om internationale bescherming niet persoonlijk werd gehoord op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en dat de verwerende partij het voormelde verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk heeft verklaard, zonder te motiveren waarom verzoeker niet werd opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beantwoordt deze kritiek in het bestreden arrest als volgt: “Te deze dient erop gewezen dat uit lezing van het administratief dossier blijkt dat de dienst Vreemdelingenzaken overeenkomstig artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet het huidig verzoek om internationale bescherming van verzoeker heeft geregistreerd en hem een verklaring heeft afgenomen met betrekking tot de nieuwe elementen (verklaring volgend verzoek van 7 oktober 2020, toegevoegd aan administratief dossier). Uit deze verklaringen blijkt dat verzoeker in de gelegenheid werd gesteld om nieuwe documenten neer te leggen en deze ook verder toe te lichten. Deze verklaringen werden vervolgens overgezonden aan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die de bestreden beslissing heeft genomen na een inhoudelijk onderzoek van de elementen die door verzoeker aan de Dienst Vreemdelingenzaken werden meegedeeld. Hieruit blijkt dat verzoeker zijn nieuwe elementen in het kader van zijn huidig volgend verzoek op nuttige wijze naar voor kon brengen. De beslissing om de verzoeker die een volgend verzoek indient al dan niet persoonlijk te horen, behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de commissaris-generaal. In het geval van een volgend verzoek om internationale bescherming is de commissaris-generaal immers niet verplicht om een persoonlijk onderhoud te organiseren, in overeenstemming met artikel 57/5ter, § 2, 3° van de Vreemdelingenwet, dat luidt als volgt: ‘Het in paragraaf 1 bedoelde persoonlijk onderhoud vindt niet plaats wanneer: (…) de commissaris-generaal in het geval van artikel 57/6/2 van oordeel is dat hij een beslissing kan nemen op basis van een volledige bestudering van de door verzoeker aan de minister of diens gemachtigde verstrekte elementen, zoals bepaald in artikel 51/8.’. Verzoeker voegt een voorwaarde toe aan de wet waar hij meent dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn beslissing dient te motiveren waarom toepassing wordt gemaakt van voormelde bepaling. Voorts dient erop gewezen dat aan verzoeker tijdens het persoonlijk onderhoud op de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van zijn huidig verzoek werd verduidelijkt dat het Commissariaat-generaal op grond van zijn verklaringen aldaar na zou gaan of zijn aanvraag al dan niet in overweging diende te worden genomen, en dat het Commissariaat-generaal niet verplicht was om verzoeker voorafgaand nog op te roepen voor een persoonlijk onderhoud. Verzoeker werd hierbij uitdrukkelijk gewezen op het feit dat het essentieel was om alle nieuwe elementen ter staving van zijn aanvraag reeds op de Dienst Vreemdelingenzaken aan te brengen. Verzoeker was bijgevolg op de hoogte van de procedure en het belang van zijn verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (verklaring volgend verzoek van 7 oktober 2020, p. 2 (bovenaan)). Tot slot kan worden vastgesteld dat verzoeker in zijn verzoekschrift eveneens nalaat om te verduidelijken welke concrete, belangwekkende elementen hij niet heeft kunnen aanreiken en op welke wijze deze elementen een ander licht zouden werpen op de bestreden beslissing.” Met de voorgaande motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij artikel 57/5ter, § 2, 3°, van de XIV-38.687-2/4 vreemdelingenwet niet geschonden acht doordat de verwerende partij verzoeker niet heeft opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud alvorens haar beslissing te nemen. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet bepaalde jurisdictionele motiveringsplicht.
- Artikel 39/2 van de vreemdelingenwet bepaalt de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doch houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht.
- Op grond van artikel 57/5ter, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet was de verwerende partij er niet toe verplicht verzoeker persoonlijk te horen alvorens haar beslissing te nemen. Artikel 57/5ter, § 3, van die wet bepaalt zelfs uitdrukkelijk dat het feit dat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, de verwerende partij niet belet een beslissing te nemen over het verzoek om internationale bescherming. Daarenboven heeft het tegen de beslissing van de verwerende partij ingestelde beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een devolutief karakter waardoor deze laatste kennis neemt van de zaak in haar geheel en verzoeker er alle argumenten die hij eventueel op het commissariaat-generaal had willen aanvoeren alsnog kon voorleggen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.687-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig juni tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.687-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.448 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div