id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.489 Rolnummer: A. 233587/XIV-38692 Zaak: Cassatiebeschikking 14489 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-11 01:23 Fiche Beschikking nr 14.489 van 29 juni 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.489 van 29 juni 2021 in de zaak A. é.587/XIV-38.692 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 mei 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 252.269 van 6 april 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 juni 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 „tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State‟. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Volgens de verzoekers heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest artikel 9ter, § 1, van de wet van 15 december 1980 „betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen‟ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden door aan te nemen dat deze bepaling niet werd geschonden met de voor hem bestreden beslissing van de XIV-38.692-1/5 verwerende partij alhoewel de beschikbaarheid van de adequate behandeling, meer bepaald van bepaalde medicatie, niet was onderzocht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat “de door verweerder aangestelde ambtenaar-geneesheer heeft vastgesteld dat uit informatie die is opgenomen in de MedCOI-databank en die dateert van februari 2019 blijkt dat er in Venezuela endocrinologen zijn op wie een beroep kan worden gedaan, dat er een mogelijkheid is om bloedwaarden te laten controleren en dat de medicatie die verzoekster dient te gebruiken, L-Thyroxine, in dat land beschikbaar is” en dat “deze informatie, met verwijzing naar de plaatsen waar deze zorg beschikbaar is en naar het medisch centrum waar deze medicatie kan worden verkregen, is opgenomen in het administratief dossier”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt: “De Raad dient daarnaast op te merken dat het gegeven dat de sociaal-economische situatie in Venezuela reeds lang zeer slecht is en dat dit ook een belangrijke weerslag heeft op de gezondheidszorg geen afbreuk doet aan het feit dat verzoekster in dat land reeds een medische ingreep kon ondergaan en dat de behandeling die zij heden nog behoeft beperkt is tot regelmatige controles van de bloedwaarden en het levenslang gebruik van L-Thyroxine. Verzoekers‟ betoog dat uit het bronnenmateriaal dat zij bij de verblijfsaanvraag voegden, waarin wordt verwezen naar de situatie in 2018, blijkt dat er zeer ernstige tekorten zijn aan geneesmiddelen in Venezuela en naar een persartikel waarin wordt aangegeven dat in 2016 al werd vastgesteld dat het in de deelstaat Táchira, gezien de grote vraag en het beperkte aanbod, niet meer mogelijk was om L-Thyroxine te verkrijgen in apotheken, doet geen afbreuk aan het feit dat uit de informatie die verweerder verzamelde blijkt dat dit medicijn, in 2019, in ieder geval wel kon worden verkregen in een medisch centrum in Caracas, de stad waar verzoekster werd geboren. Ook de vaststelling dat in een MedCOI-verslag, dat verweerder aan het dossier toevoegde, op algemene wijze wordt gewezen op ernstige tekorten aan medisch materiaal en geneesmiddelen leidt niet tot een ander besluit. De Raad kan ook niet voorbijgaan aan het feit dat verzoekster zelf, in het raam van haar verzoek om internationale bescherming, onder meer verklaarde dat haar medicatie bij een inbraak in oktober 2017 werd gestolen, wat inhoudt dat zij deze medicatie kon verkrijgen, en dat zij een, op 16 november 2018 gedateerd, medisch attest van een arts uit Caracas aan verweerder overmaakte waaruit blijkt dat zij reeds in 2011 een totale resectie van de schildklier onderging en zij ondertussen reeds zeven jaar wordt behandeld met L-Thyroxine. Er kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de langdurige slechte socio- economische situatie in Venezuela en de ermee gepaard gaande problemen in de gezondheidszorg die blijken uit tal van bronnen, tot gevolg hadden dat verzoekster zelf voorheen niet bij machte was om de vereiste medicatie te verkrijgen. Het door haar voorgelegde medische attest en haar verklaringen tonen daarentegen veeleer aan dat zij er, ondanks de problemen in Venezuela, toch in slaagde om zich in het bezit te stellen van de nodige medicatie. Er dient tevens op te worden gewezen dat het feit dat bepaalde medische zorgen of geneesmiddelen die een vreemdeling nodig heeft in zijn land van herkomst minder gemakkelijk kunnen worden verkregen dan in België of dat een bepaalde medische controle niet steeds even vlot kan gebeuren, XIV-38.692-2/5 op zich niet impliceert dat moet worden aangenomen dat de vreemdeling die deze zorgen nodig heeft hierdoor automatisch dreigt terecht te komen in een onmenselijke of vernederende situatie. Ten overvloede kan nog worden gesteld dat verzoekers – waar zij beweren dat verzoekster haar medicijn, omwille van een schaarste, niet zal kunnen kopen in Venezuela – bovendien schijnbaar uit het oog verliezen dat medicatie ook in het buitenland kan worden aangekocht. Zelfs de eventuele correctheid van verzoekers‟ bewering dat zij de nodige medicijnen niet bij een apotheker in Venezuela zullen kunnen aankopen laat de Raad derhalve niet toe te besluiten dat verzoekster hierdoor in dat land in een onmenselijke of vernederende situatie terechtkomt.” Uit het voorgaande blijkt dat in het bestreden arrest omstandig en concreet wordt geantwoord op de kritiek van de verzoekers betreffende de (niet-) beschikbaarheid van de vereiste medicatie. De verzoekers tonen dan ook geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht, die enkel een vormvereiste is. Evenmin tonen zij een schending aan van artikel 9ter van de vreemdelingenwet in de mate dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een gebrek aan onderzoek naar de concrete mogelijkheid van een behandeling in Venezuela zou hebben aanvaard. In dit verband blijkt de verwijzing naar de mogelijkheid om buiten Venezuela de bedoelde medicatie aan te kopen “ten overvloede” te zijn gedaan en derhalve een overweging te zijn waarvan de eventuele onwettigheid de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed. Het eerste onderdeel van het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- De artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Waar de verzoekers een schending van deze bepalingen en beginselen aanvoeren omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen correcte beoordeling zou hebben gemaakt door deze bepalingen en beginselen niet geschonden te achten door de voor hem bestreden beslissing, dient erop te worden gewezen dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Hij vermag derhalve niet de dienaangaande door de eerste rechter gemaakte beoordeling over te doen. XIV-38.692-3/5 Ook wat de toetsing aan de door artikel 9ter van de vreemdelingenwet gestelde vereisten van beschikbaarheid en toegankelijkheid van de adequate behandeling betreft, is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling over te doen. De verwijzing naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 206.534 van 5 juli 2018 is niet dienend. Het Belgische recht kent geen precedentenwerking en de beschikbaarheid van medicatie dient in iedere zaak individueel te worden beoordeeld. Dit geldt des te meer nu het door de verzoekers aangehaalde arrest betrekking heeft op de beschikbaarheid van medicatie in Nigeria in
- Het eerste onderdeel van het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Met de voorgehouden schending artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), vragen de verzoekers in wezen een nieuwe beoordeling van de feitelijke situatie wat de toegankelijkheid van de vereiste behandeling betreft. De Raad van State is hiervoor als administratieve cassatierechter niet bevoegd. Verder gaan de verzoekers voorbij aan de omstandige en concrete motivering in het bestreden arrest betreffende de economische en financiële mogelijkheden van de verzoekers en de vaststelling dat tweede verzoekster volgens de door haarzelf bijgebrachte stukken sedert 2011 tot november 2018 alleszins kon beschikken over de vereiste medicatie in Venezuela. Zij tonen dan ook niet aan dat het onderzoek van de zaak niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 3 van het EVRM. De verzoekers werpen een schending van artikel 13 van het EVRM voor het eerst op in de graad van administratieve cassatie doch zonder zelfs uiteen te zetten op welke wijze deze verdragsbepaling zou zijn geschonden met het bestreden, arrest. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.692-4/5 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig juni tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.692-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.489 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.