← België

Cassatiebeschikking 14508 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/07/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.508 Rolnummer: A. 233580/XIV-38691 Zaak: Cassatiebeschikking 14508 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-19 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-11 03:51 Fiche Beschikking nr 14.508 van 16 juli 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.508 van 16 juli 2021 in de zaak A. é.580/XIV-38.691 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie Malanda kantoor houdend te 1020 Laken Dieudonné Lefèvrestraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 april 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 251.313 van 22 maart 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 juni 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen XIV-38.691-1/4 die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
  2. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker ten onrechte van oordeel zou zijn dat de voor hem bestreden beslissing is gestoeld op (slechts) twee motieven, houdt geen verband met een mogelijke schending van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
  3. Verzoeker betwist de vaststelling in het bestreden arrest dat hij het weigeringsmotief uit de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing dat “er geen uittreksel strafregister werd voorgelegd” onbesproken laat en het derhalve niet betwist. Dat verzoeker in het feitenrelaas van zijn verzoekschrift van 24 oktober 2020 wel zou hebben aangegeven dat het onmogelijk was een uittreksel uit het strafregister voor te leggen, houdt niet in dat hij dienaangaande een middel zou hebben ontwikkeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou moeten antwoorden. Dat de verwerende partij in die zaak geen nota met opmerkingen zou hebben ingediend, doet hieraan geen afbreuk. Dat de verwerende partij in de zaak met het rolnummer 251.646 bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker geen “middel” zou hebben geput uit het al dan niet betwist zijn dat geen uittreksel uit het strafregister werd neergelegd, is evenmin relevant, a fortiori nu verzoeker in die zaak afstand van geding heeft gedaan. Het tweede onderdeel van het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  4. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte zou hebben beslist dat de verwerende partij ingevolge het niet voorleggen van een uittreksel uit het strafregister geen toetsing zou hebben moeten doorvoeren in het licht van artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), XIV-38.691-2/4 betreft de juistheid van de gegeven motieven doch houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Verder gaat verzoeker voorbij aan de daarop volgende omstandige en concrete motivering in het bestreden arrest op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het gezins- en familieleven waarop verzoeker zich beroept niet bewezen acht. Het tweede onderdeel van het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  5. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “onterecht [stelt] dat bij gebrek aan enig begin van bewijs betreffende nauwe persoonlijke banden met zijn echtgenote, de verzoeker het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest niet aantoont”, betreft opnieuw de juistheid van de motieven van het bestreden arrest en houdt derhalve geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Op grond van een aantal feitelijke elementen had de verwerende partij in haar beslissing van 6 februari 2020 besloten “dat de duurzame relatie tussen het echtpaar niet is aangetoond”. Verzoeker heeft in het derde onderdeel van zijn enig middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een schending van artikel 8 van het EVRM en van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgeworpen omdat volgens hem wel sprake is van “een beschermingswaardige relatie tussen verzoeker en zijn echtgenote, die samen een kind hebben” en omdat “de echtgenote van verzoeker een erkende vluchtelinge van Chinese afkomst is, zodat de enige manier waarop hij zijn gezinsleven met haar zou kunnen voortzetten middels gezinshereniging is”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zich in het bestreden arrest wat het voor hem opgeworpen derde onderdeel van het enige middel betreft enkel uitgesproken over een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM en van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij heeft daartoe onderzocht of verzoeker het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van deze laatste bepalingen heeft aangetoond. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierbij opmerkt dat artikel 11, § 1, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet in overeenstemming is met de voornoemde verdragsbepalingen, houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen XIV-38.691-3/4 een motief heeft toegevoegd aan de voor hem bestreden beslissing van 6 februari
  6. Het bestreden arrest bevat derhalve geen a posteriori-motivering wat artikel 11, § 1, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet betreft en verzoekers kritiek mist in die mate feitelijke grondslag. Verder houdt het recht op tegenspraak, dat deel uitmaakt van het recht van verdediging, niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn voorgenomen motieven om een middel(-onderdeel) ongegrond te verklaren vooraf zou moeten voorleggen aan de partijen. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zestien juli tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.691-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.508 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.