← België

Cassatiebeschikking 14509 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/07/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.509 Rolnummer: A. 233743/XIV-38716 Zaak: Cassatiebeschikking 14509 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-19 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-11 03:52 Fiche Beschikking nr 14.509 van 16 juli 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.509 van 16 juli 2021 in de zaak A. é.743/XIV-38.716 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ilse Roox kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 mei 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 253.371 van 22 april 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 juni 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die wet zou hebben geschonden, zonder dat de Raad van State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen XIV-38.716-1/3 of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. Te dezen beperkt verzoeker er zich echter toe op te merken dat in het bestreden arrest “ten onrechte” wordt geoordeeld dat de aanvankelijk bestreden beslissing duidelijk is geformuleerd in haar verschillende componenten. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslisingen zoals het bestreden arrest. Verzoekers kritiek dat “het opleggen van een inreisverbod […] kennelijk onredelijk [is]” en dat deze beslissing de marginale toetsing niet doorstaat, heeft geen betrekking op het bestreden arrest doch slechts op de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing. Ook met de kritiek dat de verwerende partij “onmiddellijk de maximumtermijn” voor het inreisverbod heeft opgelegd, dat zij “geen rekening heeft gehouden met bepaalde omstandigheden die eigen zijn aan het geval” en dat verzoeker “niet [werd] gehoord vooraleer er een inreisverbod van drie jaar werd opgelegd”, richt verzoeker zich niet tegen het bestreden arrest doch herhaalt hij slechts zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ontwikkelde argumentatie, zonder in te gaan op de motieven van het bestreden arrest. Daargelaten de vaststelling dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf, dient te worden opgemerkt dat verzoeker geen schending opwerpt van de jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat verzoeker op algemene wijze de juistheid van de motieven van het bestreden arrest betwist, volstaat de vaststelling dat hieruit geen schending kan blijken van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Zoals reeds aangegeven, gaat verzoeker niet in op enig motief van het bestreden arrest zelf.
  2. Het enige middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.716-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zestien juli tweeduizend eenentwintig door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.716-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.