← België

Cassatiebeschikking 14516 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/07/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.516 Rolnummer: A. 233681/XIV-38706 Zaak: Cassatiebeschikking 14516 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-26 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 03:53 Fiche Beschikking nr 14.516 van 22 juli 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.516 van 22 juli 2021 in de zaak A. é.681/XIV-38.706 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Schütt kantoor houdend te 2018 Antwerpen Van Noortstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 mei 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 252.440 van 9 april 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 juni 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Verzoeker laat in het enige, genoemd “eerste”, middel gelden dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had opgeworpen dat uit het dossier niet bleek dat hij in de basis van het district Manalaru in de periode van 2005 tot begin 2008 training had gegeven aan min-vijftienjarigen. Volgens verzoeker werd dit middel in het bestreden arrest niet voldoende beantwoord door te overwegen dat dit wél zo was, zonder te verklaren waarom dat dan zo was. XIV-38.706-1/5 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest met verwijzing naar verzoekers eigen verklaringen dat verzoeker van 2005 tot in 2008 actief was als training master in de LTTE. Met omstandige verwijzing naar de motieven uit de beslissing van de verwerende partij van 20 mei 2020 en naar de beschikbare informatie uit het dossier van de zaak verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers stelling dat de LTTE-leiding in de periode tussen 2002 en begin 2008 niet de bedoeling had om jongeren onder 15 jaar te rekruteren en dat verzoeker niet op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat kinderen onder de 15 jaar werden gerekruteerd in deze periode. Verder leidt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de beschikbare landeninformatie af dat de LTTE ook na de wapenstilstand overging tot actieve en zelfs gedwongen rekrutering van kinderen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt hierbij op dat het aantal gerapporteerde gevallen van rekrutering van kinderen weliswaar het hoogst was in Batticaloa maar dat rekrutering ook voorkwam in andere door de LTTE gecontroleerde gebieden in de periode dat verzoeker actief was bij de politieke afdeling. Hierna overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet met betrekking tot verzoekers eigen activiteiten: “In dit verband verklaart verzoeker dat hij zelf nooit kinderen jonger dan 17 rekruteerde omdat hierop straffen zouden gestaan hebben. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat verzoeker dit niet kan volhouden omdat (

  1. i)hij er zelf als 14-jarige er in was geslaagd om de basistraining te doen van de LTTE door zich voor te doen als 16-jarige en (
  2. ii)dat hij propaganda gaf in scholen aan jongeren in de 8st en 9e graad, wat volgens de informatie in het administratief dossier jongeren tussen 12 en 14 jaar betreft. Verzoeker voert in het verzoekschrift aan dat het geven van voorlichting in de scholen niet als doel had om minderjarigen rechtstreeks te rekruteren, maar betwist niet dat jongeren in de 8ste graad tussen 12 en 14 jaar zijn, zoals wordt aangegeven in de landeninformatie. Uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij naar alle scholen in XIV-38.706-2/5 Mullaitivu district ging en dat hij uiteenzettingen gaf over de LTTE. Dat het doel van de propaganda het werven van nieuwe leden was, blijkt uit zijn verklaringen tijdens het tweede persoonlijk onderhoud, zoals hoger aangehaald, maar opnieuw ontkent verzoeker dat dit op een gedwongen manier gebeurde en dat het voor 1990 wel maar na 1990 niet mogelijk was voor studenten onder de 16 jaar om lid te worden notities PO II, p. 6). Het is daarbij opmerkelijk dat verzoeker daarbij uitdrukkelijk verwijst naar het feit dat ‘de overheid klaagde over ons tegen de VN’ (idem). Ook uit de beschikbare landeninformatie blijkt geenszins dat het geven van voorlichting enkel tot doel had om minderjarigen bewust te maken van de geschiedenis van de LTTE, maar dat er ook videos werden getoond van succesvolle LTTE operaties in scholen in door de LTTE gecontroleerd gebied die worden omschreven als rekruteringssessies (zie CCDP Working Paper, p. 31) en dat deze sessies door mensenrechtenactivisten destijds werden bestempeld als propaganda campagnes die tot doel hadden om de LTTE aantrekkelijk te maken (zie Human Rights Watch, p. 22). Verzoeker kan dan ook niet in ernst beweren dat de vaststelling dat verzoekers verklaring dat de jongeren in de achtste en negende graad ongeveer 16 zijn in strijd is met de informatie in het administratief dossier waaruit blijkt dat de 8steen 9egraad leerlingen tussen de 12 en 14 jaar oud zijn, zijn belang verliest. Gezien verzoekers functie als verantwoordelijke voor propaganda binnen de politieke afdeling van de LTTE en training master tussen 2002 en begin 2008; het gegeven dat hij alle scholen van het district bezocht in die functie en het feit dat er jongeren werden gerekruteerd in het kader van deze voorlichting (notities PO I, p. 18-19) en het feit dat uit de landeninformatie blijkt dat, niettegenstaande de stijgende leeftijd van rekruten ook in deze periode jongeren onder 15 jaar oud werden gerekruteerd (zie hoger geciteerde landeninformatie); kan worden vastgesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat verzoeker betrokken was bij en een substantiële bijdrage heeft geleverd tot de rekrutering van jongeren onder 15 jaar. Bovendien blijkt uit zijn verklaringen dat verzoeker op de hoogte was van het feit dat de gerekruteerde personen onder meer bij gevechtseenheden konden worden ingedeeld en uit de landeninformatie dat er, ondanks de officiële wapenstilstand nog steeds gevechten waren in de periode gedurende dewelke verzoeker actief was bij de politieke afdeling en als training master, zodat kan aangenomen worden dat verzoeker er van op de hoogte was dat de gerekruteerde personen zouden worden ingezet in de gewapende strijd. Dit laatste blijkt in elk geval ook uit verzoekers verklaringen dat veel mensen die door verzoeker gerekruteerd waren gesneuveld waren en dat velen opgesloten of vermist werden (notities PO II, p. 13). Hoewel verzoeker zich dus bewust was van de risico’s die de rekruten zouden lopen, inclusief minderjarigen jonger dan 15, heeft hij door zijn actieve medewerking en met zijn medeweten het mogelijk gemaakt dat dergelijke mensenrechtenschendingen plaatsvonden. Uit verzoekers verklaringen, gelezen in het licht van de beschikbare landeninformatie, kan dan ook de actus reus zoals voorzien in artikel 25 van het Statuut van Rome, blijken. Waar verzoeker verder nog argumenteert dat hij in 2005 reeds was overgegaan naar een andere functie en geen voorstellingen meer gaf in scholen zodat de vaststelling in de bestreden beslissing dat er bijvoorbeeld tijdens de tempelfestivals van de zomer van 2005 een duidelijke stijging van het aantal gerekruteerde kindsoldaten was, niet ten nadele van verzoeker kan weerhouden worden, stelt de Raad vast dat dit geen afbreuk doet aan het voorgaande waarbij vastgesteld werd dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker wetens en willens meewerkte aan de rekrutering van kinderen jonger dan 15 jaar en dat verzoeker in de periode 2005 tot 2008 actief was als training master en hij in die periode ook jongeren trainde met de bedoeling om hen in te zetten voor de gewapende strijd. Verder stelt de Raad ook vast dat verzoeker niet gedwongen werd toe te treden tot de politieke afdelingen later als training master actief te blijven. Integendeel verklaart XIV-38.706-3/5 verzoeker dat hij, nadat hij werd overgeplaatst naar de politieke afdeling, vele keren overplaatsing had gevraagd naar de training basis omdat de leider ervan zijn vriend was (notities PO II, p. 11). Bovendien stelt de Raad vast dat verzoeker zelf verklaart dat hij ontslag nam uit de LTTE omdat hij gezichtsverlies had geleden omwille van het schietincident in de trainingsbasis en omdat iedereen van zijn familie het land al had verlaten en asiel aangevraagd (notities PO II, p. 10). Ook blijkt uit verzoekers verklaringen weliswaar dat hij spijt had dat mensen die hij gerekruteerd en getraind had, gesneuveld waren, maar ook dat hij van mening is dat, indien hij deze mensen niet had gerekruteerd en getraind, anderen het zouden gedaan hebben (notities PO II, p. 13). Verzoeker was trouw aan de LTTE en zich bewust van het feit dat de rekruten werden getraind om hen in te zetten bij gevechten. Dat hij zelf de LTTE verliet nog voor de eigenlijke eindstrijd begon doet geen afbreuk aan het feit dat hij tot eind 2017 training master was en dat uit de landeninformatie blijkt dat de vijandelijkheden hernamen na december 2006, zodat kan aangenomen worden dat verzoeker op de hoogte was van het feit dat diegenen die door hem getraind werden, onder meer zouden ingezet worden in gevechten. De Raad stelt bijgevolg vast dat het psychologisch bestanddeel (mens rea) in hoofde van verzoeker aanwezig was nu hij opzettelijk handelde en zich bewust was van de gevolgen van de rekrutering en training van minderjarigen jonger dan 15 jaar. Dat het geven van fysieke training aan rekruten geen oorlogsmisdaad uitmaakt, noch de harde omstandigheden in het trainingskamp, doet geen afbreuk aan het voorgaande waaruit volgt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker actief deelnam aan de rekrutering van minderjarigen jonger dan 15 voor de gewapende strijd van de LTTE.” Uit het voorgaande blijkt op grond van welke elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het besluit komt dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat verzoeker een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gedwongen rekrutering van kinderen jonger dan 15 jaar tijdens het gewapend conflict in Sri Lanka. Verzoeker maakt dat dat betreft geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. 3. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.706-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig juli tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.706-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.516 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.